indahnesia.com - Discover Indonesia Online

    
You are currently in > Forum > Algemene Indonesiëpraat > View topic

17-01-2015 18:16 · [news] Three more bodies of AirAsia victims to Surabaya hospital  (4 reactions)
17-01-2015 01:23 · [news] Fuel prices lowered, again  (2 reactions)
17-01-2015 00:14 · [news] President dismisses Sutarman as national police chief  (0 reactions)
16-01-2015 12:44 · [news] Alleged terrorists shot dead three villagers in Poso  (3 reactions)
16-01-2015 02:15 · [news] Indonesia to execute six drug convicts  (0 reactions)

dangdude03
User
User icon of dangdude03
spacer line
 

1. Een moskee op zondagochtend

Drie taxichauffeurs liepen voor mijn voeten, toen ik het Soekarno-Hatta vliegveld verliet nadat ik een stapeltje 20.000 rupiah biljetten uit een flappentap had gehaald. Eén van de heren, die een Blue-Bird teken op z’n airco-auto voerde koos ik uit en gaf het adres van een ‘guesthouse’ dat mij al bekend was van een vorig bezoek. Hotel Gondia vertrouwde ik omdat het er altijd zo netjes was en de bediening zo vriendelijk, kortom een baken van netheid en orde temidden van een chaotische puinhoop die Jakarta heet.Er bleek niets te zijn veranderd in de tussentijd, alleen de Indische dame die dit bedrijfje ooit had opgestart was onlangs op zeventigjarige leeftijd overleden.
Mijn plan was Manado te bezoeken, in het uiterste noordoosten van Sulawesi en ik ging diezelfde (vrijdag)middag al op pad om een ticket voor die reis te regelen. De weg naar Jl.Jaksa, centrum van vele homestays, kon ik nog dromen; gewoon de spoorlijn richting noord volgen tot aan de Kebon Sirih en dan afslaan naar links.Daar raakte ik in gesprek met Yohannes, een Ambonees op de vlucht voor het geweld, dat z’n vredige geboortegrond sinds anderhalf jaar had veranderd in een bloedig slagveld, veroorzaakt door onenigheden tussen christenen en moslims.Hij vertrouwde me toe meestal zijn afkomst te verloochenen (daar hij als christen het gevaar liep de woede van extremistische moslims op z’n hals te halen) en als men er naar vroeg gaf hij meestal Flores als geboorteplaats op daar z’n uiterlijk en huidskleur veel met die bevolkingsgroep overeenkomt. Z’n hele familie was nu uit elkaar gerukt en van hun zorgvuldig opgebouwde bestaan op Ambon was niets meer overgebleven; ze waren nu over de hele archipel uitgezwermd. Alleen hij en z’n zus Yvone woonden nu in Jakarta en nadat hij me had gevraagd wat mijn plannen waren bleek hij me van bijzonder nut te kunnen zijn: z’n zus werkte bij Mandala Airlines en zou dus een ticket naar Manado kunnen regelen. Dit zou me zo’n honderdvijftig gulden minder kosten dan wanneer ik bijvoorbeeld met Merpati zou vliegen. Ik vertrouwde hem wel en zou overigens pas betalen als hij me de ticket de volgende dag zou presenteren. Als beloning nodigde ik hem uit ergens iets te eten en zo zaten we die avond in Rama Coffee shop aan de nasi rames en bespraken de mogelijkheden van Manado, waar hij veel over wist te vertellen door zijn eerdere bezoeken aldaar. Het eiland Bunaken, iets boven de kust van Manado, zou volgens hem iets speciaals zijn, vooral onder water, vanwege de bijzonder schilderachtige koraalriffen en de veelkleurige vissoorten, terwijl het verblijf aldaar spotgoedkoop scheen te zijn.
Ik trof ‘m bij de receptie van mijn guesthouse de volgende morgen en even later verscheen ook een koerier per brommer die me de ticket kwam brengen. Na die betaald te hebben vergezelde Yohan me op een tochtje door de stad, want die kende hij inmiddels ook als z’n broekzak en we liepen eerst naar het ‘kantor immigrasi’, een paar straten van mijn guesthouse verwijderd. Niet dat ik nu ineens plannen had om te gaan emigreren (hoewel?), maar volgens mijn Indonesia Handbook zou het rond 1920 door de Nederlandse architect Berlage zijn ontworpen en daardoor voor mij interessant om te bezichtigen. Het gebouw zag er uit alsof er brand had gewoed en stond gedeeltelijk in de steigers.Een witgepleisterd gebouw met een ronde koepel erbovenop; zeker de moeite waard om opgeknapt te worden. Om in de sfeer te blijven, bekeken we ook het gebouw waar Soekarno en Hatta in 1945 de Pancasila – de vijf grondbeginselen van de Indonesische grondwet – hadden ontworpen. Er stond een saté verkoper bij met z’n kaki lima, maar veel klandizie verwachtte hij blijkbaar niet gezien z’n ongeïnteresseerde houding. Zo raakte ik met Yohan in gesprek over de huidige politieke stand van zaken. Hij vond, ondanks alle corruptie, de periode van Soeharto te verkiezen boven de huidige. Wahid vond hij ronduit een onbetrouwbare president, die vriendjes zou zijn met de hele Soeharto-kliek. Rais was volgens hem nog erger omdat hij zou willen aanpappen met Fidel Castro van Cuba en Gadaffi van Libië. Megawati vond hij OK, maar dan slechts als een gezellige huisvrouw. Ik vroeg me wel af of zijn mening misschien gekleurd was door de golf van gewelddadige conflicten in zijn eigen regio, die was ontstaan sinds het vertrek van Soeharto.
Ik was nog niet in het Wayang museum geweest, waar ook een gedenksteen was te zien van Jan Pieterszoon Coen. Later vernam ik van de archivaris Diederick Kortlang, werkzaam te Jakarta: ‘dat niemand zijn exacte begraafplaats weet. Hij is in Batavia gestorven en in de koloniale tijd heeft men moeite gedaan zijn om zijn graf te vinden. Aangezien er in zijn tijd maar één kerk was – de zo genaamde Hollandse kerk in het Kasteel – zal hij daar wel begraven zijn. Maar in de tijd van gouverneur - generaal Daendels is dat kasteel afgebroken en niemand weet precies wat er met de graven zijn gebeurd. Die inscriptie in het Wayang museum (het gebouw is geplaatst op de plek van de tweede Hollandse kerk) is wel grappig, maar meer een soort eerbetoon.’ Ook het oude stadhuis dat ernaast stond had ik nog niet van binnen gezien en was ingericht met allerlei oude meubels. Voorts hingen er oude prenten en stond er een borstbeeld van Raffles. Na een nasi goreng in de Kota stationsrestauratie zijn we met de trein naar Gondangdia gereden waarna we het standbeeld van Soekarno en Hatta bekeken op de plaats waar 17 augustus 1945 de republiek werd uitgeroepen.
Die avond aten we in een restaurant waar we werden geamuseerd door een serveerster die tussen het bedienen door aardig karaoke zong (A Whiter Shade Of Pale, Feelings) en ze zou volgens Yohan een bekende filmster zijn in Indonesië. Ik was de enige gast die applaudisseerde, want zoiets doen Indonesiërs niet, waarop ze me vroeg of ik soms ook iets wilde zingen, maar dat liet ik liever aan haar over. We dwaalden daarna nog wat over de pasar malam op het immense Medan Merdeka, waar het gezellig druk was en waar veel dokars rondreden. Ter afsluiting van de dag liet hij me zijn huidige woning zien: een kamerhok bij een oom van hem, bij wie hij mocht inwonen in ruil voor het opknappen van allerlei klusjes. Daar had hij ook wat antieke spulletjes staan waarmee een handeltje moest worden opgestart. Hij was niet trots op deze situatie, want hij wilde wel eens een eigen leven leiden in een eigen huis – wie niet? Nadat we adressen hadden uitgewisseld namen we afscheid van elkaar, waarbij we afspraken elkaar over drie weken, bij mijn terugkomst in Jakarta, misschien weer te zien.
Ik moest nog een dag volmaken in Jakarta voordat mijn vliegtuig naar Manado zou vertrekken en daarom liep ik op die zondagmorgen richting ‘Nasional Monumen – Monas’, waar nog steeds dokars rondjes reden en waarvan de mooist opgetuigde een prijs won. Nadat ik van zowel Monas als van de paarden genoeg kiekjes had geschoten besloot ik ook meteen naar ‘Istiqlal Mosque’, de grootste moskee van Zuidoost Azië te gaan, niet ver van Medan Merdeka vandaan. Op dat moment vroeg een in het pak gestoken man van middelbare leeftijd mij naar de tijd, waarna ik hem vroeg wat de beste plek zou zijn voor het maken van een foto van de moskee. Hij stelde zichzelf voor als Mr. Herman en hij was ‘toevallig’ ook daarnaar op weg, dus kon ik met hem meelopen. We kwamen bij een plek waar twee mannen met een peci op achter een tafel in de open lucht zaten, dus pakte ik mijn geld alvast. ‘Nee’, zei Mr. Herman, ‘hier kunt u uw schoenen uittrekken’. Opeens was hij een gids geworden, maar ik liet ‘m z’n gang maar gaan. Eén van die twee mannen met peci was ongemerkt achter ons aan gelopen. ’Er is geen airco of fan in de moskee, maar het is hier koel van nature’, vervolgde Mr. Herman. Door de uitgekiende bouwwijze woei er een koel briesje door het marmeren gebouw, waardoor het er inderdaad zeer aangenaam aanvoelde. ’Uw koningin Beatrix is hier vijf jaar geleden ook geweest, evenals Mitterrand, Kohl en Nelson Mandela; vanaf deze plek kunt u de minaret goed fotograferen’, wat inderdaad het geval was, dus ik gehoorzaamde maar en maakte een foto. ’Alle gelovigen kijken naar die kant tijdens het gebed, Mr. Jan, en elk vakje op de vloer is voor een persoon. En daar buigen ze als het weer niet zo mooi is,’ hij wees naar een overkoepelde plek. ’En nu laat ik u de grootste gong van de wereld zien.Kijk,’ en hij wees op een reusachtig cilindervormig gevaarte vervaardigd van hout dat met een buffelhuid bespannen was. ’U kunt nu foto maken’. Ik gehoorzaamde maar weer. ‘En nu gaat u ervoor staan en ik maak foto van u, maar zet pet af ’.Dat deed ik, waarna hij de peci van de lijfwacht z’n hoofd haalde en die op mijn zojuist ontblootte hoofd plaatste. ‘Kijkt u maar die kant op’, klik. We liepen een paar marmeren trappen op en kwamen op een balkon dat uitzicht bood op een paar waringin bomen. Die hebben de Hollanders driehonderd jaar geleden geplant Mr. Jan, en daar staat de katholieke kerk, naast de moskee als twee broeders, Mr. Jan.’ We gingen weer een marmeren trap op. ‘Hier is mooi uitzicht op Nasional monumen en daar is Nasional museum, maak maar foto.’ Dat deed ik, terwijl ik naar de teller van mijn camera keek, die ik voor vertrek van een nieuwe film had voorzien en nu alweer op 24 stond, klik. ‘En nu gaan we nog hoger omdat u het bent Mr. Jan, de toeristen komen hier nooit. De roestvrijstalen trap is door de Bundesrepublik geleverd, terwijl het marmer van Saudi-Arabië afkomstig is. Het is hier boven wel warmer Mr. Jan, maar de moeite waard.’
We liepen de brandtrap op die naar het uiterste puntje van de moskee voerde, maar waar het uitzicht belemmerd werd door een koepel van ongewassen ruiten. Hier zei Mr. Herman niet dat ik moest fotograferen. Nadat we weer een etage lager waren gekomen zei hij: ‘nu gaan we rusten,’ terwijl hij naar een granieten bank wees. Ik haalde mijn fles mineraalwater te voorschijn, maar Mr. Herman diepte uit z’n aktentas een stapel in cellofaan verpakte ansichtkaarten op.
‘Twintig stuks Mr. Jan, hier minaret, daar Nasional monumen, deze met achtergrond katholieke kerk, voor u Mr. Jan, voor maar Rp.50.000. Nu begon ik het te begrijpen, de hele vertoning was weer een valkuil geweest, ik had het toch kunnen weten. ‘Maar Mr. Herman’, begon ik, met moeite mijn vriendelijke toon bewarend, ‘ ik heb zojuist zelf al die plaatjes geschoten, deze heb ik dan niet meer nodig.’ Maar Mr. Herman liet zich niet in de kaarten kijken; ‘alle toeristen kopen ze, heus, zo mooi krijgt een amateur ze niet.’ ‘Nee dank u wel,’ zei ik beslist, ‘die van mij zijn trouwens dia’s en zo mooi zien de toeristen die weer niet.’ Zo, daar had hij niet van terug. Maar toen begon hij uit een ander vaatje te tappen; ‘u moet mij maar Rp.50.000. betalen voor de rondleiding en onze lijfwacht Rp.20.000.’ Ik begon te balen, maar zoals ik me had voorgenomen hield ik me in en betaalde maar. Toen gaf Mr. Herman het nog niet op: ‘ik heb u naar hoogste plek gebracht Mr. Jan, en dat kost nog eens Rp.50.000., voor algemene kas, begrijpt u ?’ Ik begon te koken. ‘Ik moet nu naar het Gambir station, als u mij toestaat,’ en ik liep al een paar treden naar beneden. Haastig liep hij me na , terwijl hij uitlegde dat hij voor z’n lunch ook die kant op wou. Bij het bureau aangekomen waar onze schoenen stonden trok ik deze snel aan en zei haastig ‘thanks’ tegen de heren met de peci op en liep in de richting van het station, op de voet gevolgd door Mr. Herman. ‘In Indonesië zeggen we altijd “terima kasih,” Mr. Jan en in plaats van you welcome “sama sama” ’, hoorde ik ‘m achter me met een hijgend stemgeluid zeggen. ‘En Rp.50.000 is voor algemene kas, heus, alle toeristen betalen, u toch ook ?’ M’n geduld was op. ‘Moet u eens goed luisteren Mr. Herman. Ik heb u en die lijfwacht genoeg betaald en als u dat niet genoeg vindt roept u maar de politie. Denkt u dat die briefjes met Soeharto erop aan mijn rug groeien? Ik heb een heel jaar gespaard om naar Indonesië te kunnen komen en in Holland woon ik in een gewoon huurhuis, zeer lumayan Mr. Herman. Ik bezit geen auto en rijd gewoon op een fiets. Als u wilt roept u de politie, maar ik betaal geen rupiah meer!’ Mr. Herman begon zenuwachtig te lachen en hield een wijsvinger voor z’n mond terwijl hij naar mensen wees met z’n andere hand, ten teken dat ik mijn volume moest temperen, daar andere mensen konden meegenieten . ‘Laat ze maar horen wat een oplichter u bent, Mr. Herman,’ zei ik met hetzelfde stemvolume, niet van plan me nog enigszins in te houden. Hierop schoot hij haastig een Padang eethuis in , waarna ik op een bajaj afliep en me daarmee terug naar mijn guesthouse liet rijden.



Woordenlijst

kantor immigrasi: immigratiekantoor
Pancasila: vijf grondbeginselen van de Indonesische grondwet
kaki lima: rijdend etenskarretje
dokar: paarden rijtuigje
peci: zwart fluwelen hoofddeksel
waringin: soort boom (ficus benjaminea)
terima kasih: dank u wel
sama sama: van hetzelfde
lumayan: middelmatig, redelijk
bajaj: motorfietstaxi

Volgende week deel twee.







Tuti & Jan
User
User icon of Tuti & Jan
spacer line
 

Beste ....
Met jouw toestemming wil ik dit verhaal en plekje geven op onze site, in denk dat het voor veel mensen die nog niet in Indonesie zijn geweest erg leerzaam kan zijn en verder word het voor mij gewoon op een leuke manier gebracht.
Mensen die meer in Indonesie zijn geweest herkennen zeker het een en ander wat ze zelf hebben meegemaakt.
Misschien heb je wat digitale foto's die het verslag compleet maken.
Groetjes,
Jan



dangdude03
User
User icon of dangdude03
spacer line
 

Hoi Jan,

Ik geef je graag toestemming voor het plaatsen van dit verhaal. De bijbehorende foto's (dia's) moet ik opzoeken en scannen. Ik zal ze deze week naar je opsturen.
Groetjes,
Jan.



Sepp Buys
User
User icon of Sepp Buys
spacer line
 

Geweldig verhaal. Ik zie uit naar het tweede, derde en overige verhalen!!

Sepp



Tuti & Jan
User
User icon of Tuti & Jan
spacer line
 

Sluit me helemaal aan bij Sepp en wij maken dankbaar gebruik van het aanbod van de Jan om deze verhalen op onze site te plaatsen met wat foto's als toelichting.
Tuti & Jan



Jantje
User
spacer line
 


On 20-03-2005 10:54 dangdude03 wrote:
1. Een moskee op zondagochtend

Bij het bureau aangekomen waar onze schoenen stonden trok ik deze snel aan

Weer een schitterend verhaal. Het verbaasd me dat je schoenen er nog stonden. Ha ha ha.



dangdude03
User
User icon of dangdude03
spacer line
 

Veel dank Sepp, Jantje en Tuti & Jan voor jullie fijne reacties. Het geeft me inspiratie om met mijn verhaaltjes door te gaan in de toekomst. Echt, hier doe ik het dus voor!

Groetjes,
Jan.




reuveul
User
User icon of reuveul
spacer line
 

Terus......


like to live in ID,but it takes a while to get there

latex40
User
User icon of latex40
spacer line
 

Hoi Dangdude 03

Wanneer was jij voor het laatst in het Internationaal guesthouse
Gondia aan de Gongangdia Kecel geweest. Ik was daar voor het laatst in 1999, die dame die Nederlands sprak van poolse afkomst heette Mevr. Stavira. Van kennissen die in juni 2001 daar logeerden was deze mevrouw reeds overleden. Haar broer heeft het guesthouse overgenomen zover als ik weet. Het is al meerdere keren op de site geweest omdat het er netjes en schoon uitziet en de prijs valt ook mee. Heb er zelf 5 jaren achtereen daar voor enkele dagen gelogeerd.



Schultz
User
spacer line
 

Hé DANGDUDE 03 - JAN- terug van vakantie genoten van je reisverhalen.Zo herkenbaar,zo overzichtelijk ( alsof je de hele tijd met een notitieboekje heb lopen sjouwen),zo indrukwekkend en spannend.Vandaar je naam in hoofdletters.Ik heb werkelijk echt met rode oogjes - het was al over 24 uur- zitten lezen, in één ruk,want dan verlies je de lijn van jouw heel fijne,boeiende verteltrant niet.Als "speler-met-woorden en -letters voor beroep zeg ik graag tegen jou : chapeau! Je zou het verhaal moeten aanbieden aan de Indische bladen,zoals Moesson.Dank,dank voor het feit,dat je ons die verhalen hebt willen vertellen.En hoe.............



dangdude03
User
User icon of dangdude03
spacer line
 

Ja, ik zal zeker doorgaan Reuveul, deze aanmoedigingen stimuleren mij enorm. En Latex, ik was afgelopen september 2004 nog een nacht in Gondia, voordat ik weer terug naar NL vloog. Ik wist niet dat die dame van Poolse afkomst was. Ze sprak overigens wel behoorlijk goed Nederlands. Mij is verteld dat het overige personeel na haar dood het guesthouse samen hebben overgenomen. Maar ik kom er steeds weer terug en ik voel me er iedere keer meteen weer thuis. Het ontbijt vind ik ook altijd een feest daar, gezellig op die patio, met nasi goreng en mata sapi of gewoon toast met pisang en jam.
Schultz, ja, jij kent de klappen van de zweep. Ik maak inderdaad vaak aantekeningen onderweg, anders onthoud ik al die details natuurlijk nooit. Ook dagelijks minimaal een uur dagboek bijwerken tijdens mijn vakanties (wat een hobby he?) Maar jij ook veel dank voor je complimenten hoor. Ik zal je raad opvolgen en een hoofdstuk naar Moesson opsturen. Maar ik wil nog even kwijt dat ik alleen maar opschrijf wat ik meemaak. Dus niets is aangedikt of verzonnen. Vandaar dat het ene verhaal misschien spannender of leuker is om te lezen dan het andere. Ik ben Mr. Herman achteraf dus eigenlijk dankbaar voor het feit dat hij me een mooi verhaal naliet. Ik hoop dus dat mijn komende verhaaltjes ook in de smaak mogen blijven vallen, ik zal in ieder geval mijn best blijven doen. Verder wil ik iedereen bedanken die mijn verhaaltjes steeds blijft lezen.

Groetjes,
Jan.




dangdude03
User
User icon of dangdude03
spacer line
 

2. Manado in de regen

Het was aan de ontbijttafel dat ik van een Chinese zakenman vernam dat het Nederlands voetbalelftal de vorige avond met zes tegen één van Joegoslavië had gewonnen in de strijd om ‘Euro 2000’. Daar ik niet zo’n liefhebber van voetbal ben, was het alsof de Indonesiërs trotser op hun voormalige kolonisator waren dan ondergetekende, die nog niet eens de moeite had genomen om tot in de kleine uurtjes op te blijven om zijn eigen landgenoten te zien strijden aan de andere kant van de aardbol. Wél had ik een stukje voorbeschouwing gezien op het kleine kleurentoestel van m’n guesthouse kamer in een programma waarin de presentatoren met oranje hoeden en pruiken waren uitgedost en hun bahasa Indonesia doorspekten met Nederlandse uitdrukkingen als: ‘alles goed?’ en ‘hartstikke leuk.’ Ik had het wandelend door Jakarta al gemerkt wanneer men mij aansprak met ‘dari mana?’ en dan op mijn ‘Belanda’ antwoordde met ‘oh, joero toetousend!’ Zo zat ik op weg naar het vliegveld tegen de taxichauffeur te verkondigen dat, als het zo doorging, Nederland zijn ex – kolonie weer terug zou kunnen verdienen door goed te voetballen.
Ik zat nog maar net in het Mandala airlines vliegtuig toen er werd omgeroepen dat we het toestel wegens een defect weer moesten verlaten. Er was een schok voelbaar geweest en de verlichting had vreemd geknipperd. Nou ja, in zo’n geval beter op de grond dan in de lucht. Wel betekende dit alles vertraging, dus moest er gewacht worden in de ongezellige vertrekhallen van Soekarno – Hatta.
Na een tussenlanding in Ujung Pandang kwam ik ’s avonds om 9 uur in Manado en een uur later in Hotel Minahasa aan, waar het volgens m’n Indonesia Handbook betaalbaar goed toeven was. In de lounge wezen Delftsblauwe bordjes aan de wand op een Hollands georiënteerd verleden en dat bleek te kloppen toen ik daar de volgende ochtend voor het ontbijt aanschoof. Een oudere dame sprak me aan met: ‘goedemorgen, hoe wilt u uw eieren?, er is ook fruitsalade hoor, lekker ja, met ananas en papaya.’ Mr. Yaya, de chef van het hotel had me verteld dat er naast Hollanders ook Denen, Japanners en Aussies logeerden en die zaten reeds aan de nasi goreng en de toast met beleg die men zelf van een deftig gedekte buffettafel kon halen. Ik had er het laatste vakante appartement kunnen huren van het complex dat fraai tegen een heuvel was gelegen en waar een kronkelend stenen tuinpad naar toe voerde dat aan weerszijden was opgefleurd met kembang sepatu – en allemandastruiken. Het uitzicht vanaf mijn balkon was echt betoverend, vooral ’s ochtends vroeg wanneer er mistslierten over de vulkaan in de verte hingen met de schilderachtige Manado Baai op de achtergrond. Ik ging dan ook meteen na het ontbijt een eindje wandelen op de Jalan Sam Ratulangi, de hoofdstraat waaraan het hotel was gelegen en die van noord naar zuid door Manado loopt. Net toen ik ter hoogte van een vrijheidsmonument kwam – een beeldengroep die uitbeeldde hoe dappere pemuda - strijders de vijand verdreven - trof ik Faizal aan, een jongeman van in de twintig met een donkere huidskleur en grote ogen, die voor mij wel wilde gidsen. Toen ik hem vroeg wat hij er aan dacht te verdienen was zijn antwoord: ‘ is up to you ,’ waarop ik hem voorstelde dat hij me kon rondleiden tegen lunch en diner en ‘having a good time.’ Overigens was z’n kennis van de directe omgeving nihil, daar hij pas twee jaar in Manado woonde en oorspronkelijk van Flores afkomstig was. Z’n Engels sprak hij goed, evenals z’n Bahasa, zodat hij me wat dat betreft nog het één en ander kon bijleren. Hij nodigde me eerst uit in zijn nederige woning, opgetrokken uit gevlochten bamboe en gegolfd plaatijzer, die hij deelde met z’n vrouw, zwager, broer, oma en wie al niet meer. Omdat hij van Flores kwam had ik gedacht dat hij christelijk van geloof zou zijn, maar in het eenvoudige vertrek hingen islamitisch getinte prenten aan de muur. Hij vertrouwde me later toe dat hij Rima, z’n huidige vrouw, had kunnen trouwen door zich tot de Islam te bekeren, maar dat hij in z’n hart nog altijd overtuigd katholiek was. Normaal gesproken werkte hij op de pasar ikan, waar hij samen met een zwager vis verkocht in de ochtenduren wanneer de vloot van vissersprauwen de nachtelijke vangst had gelost. Maar (Fai)Zal had duidelijk meer pretenties dan z’n hele leven op de vismarkt te slijten en wou graag van mij weten wat er zoal bij komt kijken om een goede gids te worden. Dat kon ik hem natuurlijk niet een twee drie bijbrengen, maar door z’n ervaringen in de dagen die volgden zal hem het een en ander wel duidelijk geworden zijn.
Al snel had ik in de gaten dat ik in de stad Manado gauw uitgekeken zou zijn en voor de nodige sightseeing bijvoorbeeld naar Bunaken eiland en het Tondanomeer zou moeten afreizen. Het weer was ook al niet zoals ik het me had voorgesteld: in de middag staken er al spoedig donkere wolken de kop op gevolgd door zware onweersbuien, die aanhielden tot laat in de avond. Zo zaten we ’s avonds in de lounge koffiedrinkend op een droog moment te wachten en keken gezamenlijk op een kaart van Indonesië – waarachter enige cicaks zaten te loeren wat er zoal aan insecten langs zou komen – die in een lijst aan de muur was gehangen. Terwijl Zal z’n geboorte-eiland Flores aanwees, mengde een Nederlandse gast van het hotel zich in ons gesprek, die meedeelde dat hij samen met z’n vrouw een jaar eerder Flores had bezocht en daar vriendelijk was ontvangen door de paters van een missiepost. Het grijze echtpaar had ditmaal plannen gemaakt om met een fourwheel drive jeep van Noord- naar Zuid-Sulawesi te rijden in drie dagen tijd, hetgeen mij onwaarschijnlijk in de oren klonk omdat ik gehoord en gelezen had over delen van deze weg die schier ontoegankelijk voor alle verkeer zouden zijn, zeker wanneer er veel neerslag was gevallen, zoals nu. Maar Zal werd al helemaal enthousiast bij het idee een trip naar zijn land van herkomst te maken en als het aan hem had gelegen, zou ik het voorbeeld van die Nederlander opgevolgd hebben. Maar ik was nog niet klaar met Sulawesi, want na de Minahasa wilde ik nog het centrale deel van dit bijzondere eiland gaan bekijken.
Toen de regen even iets minder werd maakten wij van de gelegenheid gebruik om in de stad een eetgelegenheid op te zoeken en kwamen terecht in een sea food rumah makan waar we cumi cumi met kangkung rebus aten, wat beslist niet goedkoop was, maar wel de moeite en het geld waard. Na afloop hebben we nog een partijtje pool gespeeld in een van de vele biljartzalen die de stad rijk was, waarbij ik het tegen Zal duidelijk moest afleggen, daar ik alleen biljart met drie ballen gewend was.
De volgende ochtend begaven we ons naar de pasar ikan om een boot te zoeken voor de overtocht naar Bunakeneiland, waar het vooral voor de snorkelaars een waar Mekka zou zijn. Slenterend tussen de kraampjes en tempat met vis werd Zal die ochtend onophoudelijk begroet door collega’s van hem die hun waren aan de man trachtten te brengen. ‘Hier hing den stank van antieken visch,’ zou de oud-Indische journalist Willem Walraven vroeger geschreven hebben en inderdaad was het daar haast niet te harden van de stank. Na een tijdje heen en weer gedraald te hebben, bleek de contactpersoon die Zal in gedachten had niet aanwezig te zijn zodat hij het bij de eigenaren van andere vaartuigen ging proberen. Het liep niet allemaal even gladjes die ochtend, vooral omdat Zal er nog geen kaas van gegeten had om de zaakjes als een volwaardige gids te regelen. Nadat hij een poos met een stel mannen bij een perahu had staan praten kwam hij er z’n beklag bij me over doen dat het volgens de heren te laag water zou zijn, maar dat deze wel wilden uitvaren mits er dik geld op tafel kwam. Er werd wel Rp.300.000. gevraagd voor een boottocht, waar volgens mijn Bill Dalton gids niet meer dan Rp.5.000 voor betaald moest worden. Ik begreep het wel, de arme vissers zagen dat Zal in het gezelschap was van een rijke pelancong belanda en de dollartekens schitterden reeds in hun ogen. Nadat hij nog een aantal bootbezitters naar hun tarief had gevraagd die daarop allemaal enorme bedragen noemden, hakte ik de knoop door en kwam met het voorstel die dag maar naar het beroemde Tondanomeer te gaan en Bunakeneiland even uit te stellen. Alleen was Zal hiermee niet zo gelukkig, want als beginnend gids had hij hiermee geen goede beurt gemaakt.
Na een tocht van twee uur in verschillende bemo’s en een publieksbus bereikte onze laatste minibus een fraai bergachtig gebied waar we vanuit de hoogte het Tondanomeer zagen schitteren in de verte. Tevens begon het hard te regenen. Daarom schuilden we in een rumah makan, direct gelegen aan dit prachtige meer en nadat we de lunch hadden gebruikt stopten er drie grote touringcars voor de deur, waaruit een hele school tieners stapte die ongetwijfeld zoals wij ook op een droge zonnige dag aan dit meer hadden gehoopt. Ze stonden aanvankelijk te rillen van de kou, want het was inderdaad best fris die middag daarboven in de bergen, en de regen die steeds harder begon te plenzen maakte het er niet aangenamer op. Zal en ik zaten in een overdekte galerij te wachten tot de regen wat zou minderen om dan wat langs het meer te gaan wandelen, maar de donkere wolken wilden niet wijken. Heel schuchter begonnen enkele meisjes op me af te lopen – voor Zal hadden ze geen aandacht – en vroegen in gebrekkig Engels waar ik vandaan kwam. Uiteindelijk zat ik in het midden van de hele klas en moest de ene na de andere vraag beantwoorden. Ondertussen bleef het maar storten en de bliksem schoot tussen de omringende bergen door. Er hing een zekere magie in de lucht en ik waande me een beroemde popster die moeite had de vele scharen fans van zich af te schudden. Op een bepaald moment werd ik aan één van de leraren voorgesteld en die hield, zoals je het van een docent zou mogen verwachten, een educatief gesprek (met de toon van: ‘nu even geen gedonder, even serieus’) met me in het Engels. Hij vermoedde, en dat was nog niet zo gek gedacht, dat ik familie opzocht in de Minahasa, omdat daar nu eenmaal veel autochtonen wonen die familie in Holland hebben. Toen ik bij wijze van besluit mijn fotocamera te voorschijn haalde voor een groepsfoto begonnen de meisjes te gillen als betrof het een Beatles concert in de jaren zestig. Nadat ook ik voor hun pocketcamera’s had geposeerd verdwenen ze allemaal weer in hun touringcars en met een massaal ‘goodbye’ lieten ze mij achter met Zal die zat te lachen als een boer met kiespijn. Daarna moest alles nog eens dunnetjes over voor een klas kleuters, die in de wolken geraakten van de door mij uitgedeelde ballons en balpennen en daarmee natuurlijk ook op de foto wilden. Alles bij elkaar hebben we maar weinig van het Tondanomeer gezien, en het zag er niet meer naar uit dat het weer nog zou opklaren. Vandaar dat we maar aan de terugweg naar Manado begonnen in de minibus die een eindje verderop had staan wachten, alsof de bestuurder wel wist dat we weer snel bij hem zouden aankloppen. De hoofdweg was nu een waterval geworden van het vele hemelwater dat in korte tijd naar beneden was geplensd, bruin van de berggrond die het meesleurde. Daarbij maakte dit watergeweld zo’n ontzettende herrie op ons bescheiden minibusje, dat we maar af en toe een knal van de donderslagen hoorden terwijl het toch, gezien de felle bliksemschichten, een zwaar onweer was. Daarom kocht ik teruggekomen in Manado eerst een paraplu in een Chinese toko, zodat we ons voor wat roepiah’s niet meer nat hoefden te laten regenen.
Die avond at ik voor het eerst ikan mas bakar , wat niet tegenviel, maar vanwege de vele graten ook niet mijn favoriete gerecht zou worden. Er bleef die avond niet veel anders over dan maar weer naar de bekende biljartzaal te gaan voor een partijtje pool, wat ik nu wel steeds beter begon te beheersen.
De volgende dag besloot ik om de dingen eens op een rijtje te zetten. Het was mijn derde dag in Manado en van sightseeing was er niet veel terecht gekomen. En hoewel ik er niet echt een groot liefhebber van ben, ging ik met Zal naar een toeristeninformatiebureau waar we te horen kregen dat we voor de publieksboot naar Bunaken niet meer dan Rp.10.000. hoefden te betalen. Maar het eiland scheen behoorlijk vervuild te zijn, onder andere doordat de plaatselijke bevolking het strand als openbaar toilet gebruikt. Er mocht niet worden gevist en Zal kon niet zwemmen, zodat er voor mij niet veel anders zou overblijven dan te gaan snorkelen. Dat gaf voor mij de doorslag; ik wou weg uit deze stad en dat ging het snelst per vliegtuig. Dus ging ik naar het Bouraq airlines kantoor voor een enkeltje Palu, vertrek komende zaterdag 13.00 uur. Ik had dus weinig gezien van Manado en omgeving, waarbij het weer natuurlijk de grote boosdoener was. Toch meende ik dat Zal het zichzelf een beetje kwalijk nam dat het zo gelopen was. Inderdaad bespeurde ik weinig souplesse bij hem, alsof hij het gevoel had dat alles wat hij aanpakte of probeerde gedoemd was te mislukken.
Nadat ik van Zal de volgende ochtend les in Bahasa Indonesia op mijn hotelkamer had gehad gingen we naar het Provinciaal Museum van Noord Sulawesi. In de ontvangsthal werden we welkom geheten door een repeterende muziekvereniging die in dit opgeknapte complex voor ons een potpourri ten gehore gaf op xylofoons van bamboe. De solist van het uit drie dames en vier heren tellende gezelschap beschikte tevens over een professioneel stemgeluid, waarmee hij country-achtige nummers zong die uit de vijftiger jaren leken te dateren. Nadat ik hen had gefotografeerd en wij samen hadden geapplaudisseerd voor dit exclusieve concert, werden we rondgeleid door twee charmante dames die ons veel wisten te vertellen over voorwerpen zoals kleding, meubels en gebruiksvoorwerpen die dateerden uit de Portugese en Hollandse tijd. Ook stond er een grote verzameling Chinees porselein die in de Minahasa was opgegraven en merkwaardig genoeg bijna vrij was van barsten of andere beschadigingen. Eén van de dames deed na afloop van ons bezoek wel zeer vriendelijk tegen mij; later hoorde ik van Zal dat hij haar verklapt had dat ik vrijgezel was, en zo – in een wanhopige poging nog iets voor me te betekenen – ons trachtte te koppelen. Helaas, ik vond de bewuste dame wel aardig, maar wel een ‘Truus’ om te zien. Of ik die avond nog kans zag om bij haar op bezoek te komen? Ik kon het niet beloven omdat ik al had afgesproken met Zal en Rima uit eten te gaan bij wijze van afscheid en ik het daarna nog druk zou hebben met het inpakken van mijn rugzak.
Zal kwam me die middag ophalen en we namen een minibus naar z’n huis, waar ik de hele familie op de kiek zette terwijl in de hoek van de kamer een sneeuwende tv aanstond waarop Indomie werd aanbevolen door een moderne huisvrouw. Rima schonk eerst nog thee voor ons in die wij opdronken terwijl zij zich nog even ging omkleden. Nadat we met een minibus naar het Surabaya restaurant waren gereden (een duur restaurant waar ik met Zal reeds eerder had gegeten) bleek al gauw dat er iets niet lekker zat. Rima bestelde ayam goreng met rijst, maar Zal zat maar te draaien en wou alleen Coca Cola drinken. Hij liep een paar keer naar de bar voor losse sigaretten, ging dan weer als een geslagen hond op zijn stoel zitten en begon er steeds depressiever uit te zien. Hij vertelde me ontevreden over z’n situatie te zijn en wilde ander werk. Vanaf dat moment sloot hij zijn vrouw buiten het gesprek door alleen in het Engels te praten. De volgende dag zou hij het huis van z’n schoonouders verlaten om een nieuw leven te beginnen, maar ik probeerde hem wat te sussen en zei hem geen oude schoenen weg te gooien voordat hij nieuwe had. Ik voelde dat de hele vertoning (ook) om geld draaide en gaf daarom z’n vrouw wat geld toen hij even niet keek. Het door mij getrakteerde etentje leek in verkeerde aarde gevallen want Rima liet na enige tijd weten dat ze het koud had door de airco, en voordat we uitgegeten waren verlieten we gedrieën dit luxe restaurant in een niet bepaald vrolijke stemming. We namen afscheid van elkaar en ik hoopte maar dat Zal geen gekke dingen zou doen. Ik was van een koude kermis thuisgekomen en voelde mezelf schuldig voor de veranderingen die hij in een paar dagen tijd had ondergaan. Om daarna een beetje tot mezelf te komen besloot ik op mijn gemak naar het hotel terug te wandelen alwaar zelfs de hotelmanager ontzet keek toen ik meedeelde de volgende dag te zullen vertrekken. De volgende ochtend hoorde ik tijdens het ontbijt van de Hollander die op Flores was geweest dat Oranje door middel van penalty’s door Italië was uitgeschakeld, en een Duitse toerist vertelde over z’n bezoek aan Poso. Deze stad te bezoeken leek nu schier onmogelijk vanwege de blokkades die waren opgeworpen in de strijd tussen christenen en moslims.
Ik moest tot op het laatste ogenblik wachten op mijn laundry, die ik de dag daarvoor had afgegeven en kreeg het halfnat en nog warm van het strijken terug nog net voordat ik met de taxi naar het vliegtuig moest. Ook dit ongemak werd veroorzaakt door het slechte weer, of moet ik zeggen door een gebrek aan matahari?


Woordenlijst

bahasa Indonesia: Indonesische taal
dari mana?: waar vandaan?
Belanda: Holland
kembang sepatu: hibiscus
pemuda: jonge vrijheidstrijders
pasar ikan: vismarkt
cicak: muurhagedis
rumah makan: eethuis
cumi cumi: inktvis
kangkung rebus: gekookte waterspinazie
tempat: plaats
perahu: prauw
pelancong Belanda: Hollandse toerist
bemo: minibus voor openbaar vervoer
ikan mas bakar: op vuur gebakken goudvis
ayam goreng: gebraden kip
matahari: zon

Volgende week deel drie.









Jeroen
Administrator
User icon of Jeroen
spacer line
 

Ik heb deze leuke verhalen als sticky topic gezet. Dan blijven ze bovenaan de lijst staan.



dangdude03
User
User icon of dangdude03
spacer line
 

3. Een tocht door Lore Lindu

Na het inchecken op Sam Rutulangi Airport zocht ik in een bomvolle vertrekhal naar mijn vluchtnummer (400) op een monitor, maar die stond er niet op. Wel vlucht 491 en anderen, terwijl er vanuit het lokaal geen zicht was op het vliegveld buiten. Tegen de tijd dat het toestel zou moeten vertrekken zag ik nog steeds geen vlucht 400 op het scherm, zodat ik maar eens polshoogte ging nemen bij het incheckloket. Tot mijn stomme verbazing hoorde ik daar dat mijn vliegtuig al ‘boarding’ was, dus op het punt stond om op te stijgen. Ik rende daarop de benen uit mijn lijf en een stewardess met een walkie talkie hield het toestel voor mij nog even aan de grond.
In Palu aangekomen bleek het hotel van mijn keuze (Hotel Wisata) vol te zijn en moest ik genoegen nemen met het sjofele Buana Hotel. Naast mijn kleine kamer bevond zich een eenvoudige kamar mandi, de airco die vermoeiend ronkte bleek het zaakje niet koel te kunnen stoken en het was er niet al te schoon, maar de tv maakte weer een hoop goed. Op mijn verzoek werd er air putih en schone handdoeken gebracht door Rudy de kamerjongen, die mij ook aan een aantal toeristische brochures hielp waarmee ik de volgende dag aan de slag zou gaan.
Het eerste ontbijt dat ik daar kreeg was in de stijl van het hotel: een bordje rijst met sambal en wat flinters ei erdoor (voor dat laatste was wel een vergrootglas nodig om het te ontdekken).
Daarna hield ik voor het hotel een minibus aan en vroeg de chauffeur mij naar het kantoor voor toerisme te brengen. In een schier verlaten kantoor kreeg ik te maken met een man die geen woord Engels sprak, evenmin als de chauffeur van de minibus die me naar binnen begeleidde. Het werd me duidelijk dat men bezig was het kantoor naar een andere locatie te verplaatsen, en ik kreeg iemand aan de telefoon die mij beloofde een medewerker te zullen sturen. Zo werd ik een kwartier later voorgesteld aan een kleine gezette man van middelbare leeftijd met de naam Mr. Darwin. Die naam had hij gekregen, zo vertelde hij, omdat hij op dezelfde dag geboren was als de grote bioloog.
Ik kreeg steeds meer de indruk dat het toerisme in Palu zo goed als op z’n gat lag en mijn stille hoop de trip te delen met een clubje andere toeristen kon ik wel uit mijn hoofd zetten. Mr. Darwin vertelde me over een mogelijke trip door Lore Lindu, een jungle gebied dat zo’n 50 km. zuidelijk vanaf Palu begint. Het zou een tocht worden van vier dagen en drie nachten en mijn gids zou me die middag in mijn hotel komen opzoeken om alles door te nemen en af te spreken. Inderdaad verscheen tegen vieren die middag een kleine tengere man van in de veertig met een iets kalend hoofd en in de verte iets van Iberische trekken in z’n gezicht (wat later bleek te kloppen daar hij van de Shangir eilanden afkomstig was ). Z’n naam was Axcel, ‘afkorting van excellent’ zei hij met een aanstekelijke hoge giechel. Hij droeg vroeger een baard, getuige een oude pasfoto op z’n identiteitskaart, en toonde me een plakboek waarin hij te zien was temidden van veel Hollanders. Tevens was een vergeelde pagina uit een Amerikaans dagblad ingeplakt waarin een tocht beschreven werd over hoe hij en een Amerikaanse toerist verdwaald waren geraakt door een kapot kompas en zo een week hadden rondgedoold, hetgeen dus ook tot de mogelijkheden leek te behoren. Nadat we alles hadden afgesproken en ik de helft van de kosten alvast vooruit had betaald, wachtte mij de moeilijke taak om de benodigde spullen voor de komende trip in mijn kleine rugzakje kwijt zien te raken (mijn grote rugzak kon ik bij Axcel stallen).
Zo werd ik de volgende ochtend opgehaald in een minibusje en reden we eerst naar Axcel’s huis, waar de bemanning voor onze tocht klaarstond. Allereerst was er Harald, de trouwe hulp van Axcel, een jongeman die leed aan een zeer bijzondere ziekte. Hij zag eruit alsof z’n gezicht elk moment zou kunnen ontploffen, iets dat hij opgelopen had tijdens een van zijn tochten als gids. Een doorn van een rotantwijg was in zijn wang gekomen en daarna gaan ontsteken. Hij liep er nu al twee jaar mee, maar had geen geld voor de nodige operatie waarvoor hij helemaal naar Jakarta of Singapore zou moeten, hetgeen dus onbetaalbaar zou zijn voor zo’n eenvoudig iemand als hij. Dan was er een priester van het Leger des Heils bij die samen met zijn broer meeging om in een desa nabij Lore Lindu een stuk grond terug te vorderen, waarop zij volgens een familie erfenis recht zouden hebben (was dat niet vragen om moeilijkheden, vroeg ik me af, in een gebied waar de laatste tijd zoveel problemen waren tussen moslims en christenen?). Als laatste kwam Blackhelmet in ons busje (zo genoemd naar het hoofddeksel dat hij altijd droeg), een jonge man met donker gelaat en kroezend haar.
Eerst moest er een surat jalan gehaald worden bij een officiële instelling waar veel heren in groene uniformen rondliepen en ik wel tien kopieën moest ondertekenen nadat ik het verschuldigde bedrag had betaald. De eerste stop maakten we bij de Lore Lindu rivier, waar naast een stenen brug ook een stuwdam dateerde uit de Hollandse tijd. Na de lunch in een desa met de naam Saluo begon de eigenlijke jungletocht. Vrijwel meteen nadat we waren gaan lopen begon het te regenen en een groepje plaatselijke boeren die met lastdieren vooruit waren gelopen maakten dat de weg bijna onbegaanbaar was geworden; de door paarden en muilezels uitgesleten paden waren inmiddels ondiepe tunnels geworden, waarin vette roodbruine bagger de onderlaag vormde. Een neushoornvogel liet een galmende kreet horen tussen de hoge woudreuzen terwijl wij voortdurend klommen, totdat we in de mist het hoogste punt bereikten en daar een pauze hielden voor wat foto’s. Die avond kwamen we in desa Puroo, alwaar we overnachtten in een houten huis dat dienst deed als station van het Leger des Heils. Terwijl Axcel, de priester en z’n broer in een eenvoudig vertrek aan het eten gingen werken, mocht ik me in de kamar mandi gaan opfrissen. Ja, ik kreeg natuurlijk een voorkeursbehandeling omdat ik de trip had bekostigd. Nadat ik thee en koek had gekregen werd mij een eigen kamer toegewezen, waar ik mijn klamboe voor de nacht alvast gereed maakte totdat ik werd geroepen voor het eten. Dat bestond uit rijst en groente gestoofd in kokosmelk, gekookte eieren en…..python! Ik moest van die slang natuurlijk wat proeven, maar vond ‘m eigenlijk te pedas, zodat ik me beperkte tot de eieren en de groente. Onze priester van het Leger des Heils ging ons voor in het dankgebed en na afloop werden er aan tafel nog wat anekdotes verteld. Zo vertelde Axcel dat men hier voor naar het toilet gaan twee benamingen had: number one voor een plas en number two voor het zwaardere werk. Ik noemde de Hollandse variant voor number two in het Engels ‘big shopping’ en die vond het gezelschap zo leuk dat de term voor de rest van de reis steevast gebruikt werd. Ik vertelde, in verband met de python, dat er hond werd gegeten in Manado, R W heette dat daar. Ze hadden er de grootste pret om dat ik het niet geprobeerd had omdat ik het kasihan vond.
De volgende ochtend werd ik al vroeg gewekt door kraaiende hanen en met het licht worden werd er nasi goreng opgediend door Axcel en de priester. Iedereen in Puroo zwaaide ons uit toen we weer met onze rugzakken richting bergen en jungle liepen. Dit zou de rustigste dag worden en we zouden slechts in de ochtenduren lopen. Onderweg kwamen we langs ladang velden – omgekapte woudreuzen waartussen gewassen zoals mais en cassave werden aangeplant. Axcel vertelde in het verleden hierover vaak bij de betreffende instanties te hebben geklaagd, maar in de randgebieden net buiten het nationale park liet men de plaatselijke bewoners toch gewoon hun gang gaan met deze praktijken.
Tussen de middag kwamen we bij een kleine desa met de naam Wongkono, waar Axcel en ik een houten huis op palen betrokken dat met schotten van gevlochten bamboestrip in kamers was verdeeld. Dit was het eigendom van Axcel’s zwager die nog niet thuis was, en in die tijd wasten we onze vuile kleren in een kreekje achter het huis. De rest van ons gezelschap vond onderdak bij een ‘oom’ , een eindje verderop. Moeder kwam het eerst thuis en kookte mie voor ons als lunch, nadat ze trots een bosje pasgevangen karpertjes had laten zien die voor het avondmaal waren bestemd. Daarna kwam zwager zelf thuis, gewapend met een geweer en een parang – als zelfverdediging tegen kwaadwillende moslims. Als priester hield hij in een houten kerkje naast hun huis, diensten voor de overwegend christelijke gemeenschap en een ijzeren velg van een vrachtwagen, opgehangen in een boom, deed dienst als kerkklok. De situatie, was mij verteld, werd met de dag ernstiger tussen de moslims en christenen. Familieleden van Axcel waren bij gevechten in Poso omgekomen terwijl anderen naar elders waren uitgeweken, op de vlucht voor het aanhoudende geweld. In Palu was een voetbalstadion ingericht als opvangcentrum voor vluchtelingen uit Poso en in Manado was een schip met christenen uit de Molukken binnengevaren, óók op de vlucht voor het geweld. Ik had gehoopt ook naar Poso te kunnen gaan, maar dat werd steeds door iedereen die ik het vertelde afgeraden. Zoals ik reeds eerder noemde was de priester van het Leger des Heils met ons meegegaan om een verloren stuk grond dat eens toebehoorde aan zijn familie weer proberen terug te krijgen, maar nu hoorde ik dat er geen officiële papieren bestonden om dit aan te tonen, zodat zijn missie geen succes werd. Ik vond het overigens wel toevallig dat ik gedurende deze vakantie steeds door vrome christelijke mensen werd omringd, want steeds werd er voor elke maaltijd gebeden. Ook bij het diner van die avond dat bestond uit gekookte karper met rijst, aangevuld met gestoomde cassave of ubi ging de zwager van Axcel ons voor in het gebed en ’s avonds, nadat ik onder de klamboe was gedoken, hoorde ik ‘m in z’n eentje psalmen neuriën, waarschijnlijk als een oefening voor de komende zondag. Ik sliep overigens goed die nacht, ondanks een dikke zwarte harige spin groter dan mijn hand die ik eerder had aangetroffen in een hoek van de kamer; ook daar is een klamboe dus goed voor. Zelfs het oorverdovende geluid van een jangkrik hinderde mij niet in mijn slaap. Zo kon ik de volgende dag goed uitgerust beginnen aan het volgende traject, want het zou de zwaarste dag van de trip worden. We waren nog geen kwartier onderweg of het pad, nou ja, ossenkarrenspoor, werd bijna onbegaanbaar door de regen van de laatste dagen en Axcel stond er op een bepaald moment zelfs op dat ik door hem gedragen werd op zijn rug. Na een enkele poging vond ik dat toch wel te gek worden en volgde ik hem maar, waarbij we vaak tot onze knieën in de zuigende rode bagger weg zakten. Na een uur van geploeter kwamen we bij een plek waar een prauw klaarlag in een beek die in verbinding stond met danau Lore Lindu. De eigenaar van die boot had die ochtend in het meer een fraaie karper gevangen van een pond of acht, die hij ons apetrots liet zien. Zo stapten we in die wiebelige, onwennige smalle boot en genoten van het bijzondere schouwspel dat een uitgestrekt groot meer is in het midden van het eeuwigdurend groen. Het meer zelf was spiegelglad door het ontbreken van ook maar een zuchtje wind en er was zodoende geen gevaar dat de smalle prauw met ons zessen water zou maken. Zo durfde ik het dan ook aan om al varende mijn fototoestel te voorschijn te halen en plaatjes te schieten van een groepje kinderen dat met enorm veel pret aan het baden was in een ondiep gedeelte langs de oever. Even later zagen we in de verte tussen al het groen in verschillende schakeringen de plaats Rahmat liggen, de eindbestemming van die dag. Na de oversteek begon de wildernis pas goed en steeds werden we weer geconfronteerd met door modder onbegaanbare wegen. Na de lunch van koude rijst met groente en vis uit een bananenblad die we bij een schilderachtig beekje nuttigden, begonnen we aan de zwaarste klim van de trip en als klap op de vuurpijl begon het weer te storten van de regen. Mijn rugzak was al enorm zwaar, maar nu werd het gewicht door alle vochtigheid zelfs nog verdubbeld. Het was ook oppassen geblazen, want het wemelde van de rotanstruiken en die zaten vol gemene stekels, waaraan we door Harald, als een levende waarschuwing, steeds weer herinnerd werden.
Toen we die dag het hoogste punt bereikten liepen we in een natte mist te rillen van de kou en het afdalen was, zoals zo vaak het geval, nog zwaarder dan de beklimming waarbij we allemaal meerdere keren onderuit gleden. Net op tijd voor donker kwamen in de kleine desa Rahmat aan waar Axcel, Harald en ik op verhaal kwamen in een eenvoudige losmen. Blackhelmet, de priester en z’n broer logeerden bij kennissen in de buurt. De gastvrouw maakte voor ons een pedas maaltijd klaar en na afloop stortte ik van pure vermoeidheid zowat in elkaar. Al mijn spieren deden pijn en daarbij had ik een nare verkoudheid opgelopen, maar na een mandi beurt voelde ik me op een bijzondere manier wel voldaan, zeker nadat Axcel me had verzekerd dat dit het moeilijkste parcours van heel Lore Lindu was. Axcel kwam me de volgende dag om half zeven wekken omdat er een lijnbus voor de deur van ons losmen stond, en het niet onverstandig was, met het oog op de nog steeds stromende regen, deze dan maar te nemen op weg naar Palu. Het was weliswaar geen pretje om ’s ochtends vroeg in natte kleren te moeten kruipen, zeker niet gezien mijn zware verkoudheid, maar de opgehangen was bleek nog niet droog, dus had ik geen andere keus. Even later namen we afscheid van Harald die een paar haltes eerder uitstapte, en daarna daalde de bus de weg af richting Palu. We zagen de in wolken gehulde bergen terwijl we langs met palmbomen omlijste cacaoplantages zoefden. Zo konden Axcel en ik de afgelopen dagen evalueren terwijl we gezellig voorin naast de buschauffeur zaten en het viel me daarbij op dat z’n Engels wel zeer beperkt was voor iemand die gewend moest zijn als gids voor vele nationaliteiten op te treden. Het woord ‘estimate’ bijvoorbeeld gebruikte hij zowat in elke zin, terwijl de betekenis van veel van zijn verhalen gewoon niet was ‘in te schatten’. Zo vroeg ik hem op een bepaald moment of hij daar ‘familiar’ (gewend) was, waarop zijn antwoord was dat hij daar niet aan begon, te veel toestanden toch met al die familie? Al kende hij dit hele gebied als zijn broekzak, ik zou geen langere tijd met hem opgescheept willen zitten, want hij vond zichzelf een fantastische verteller, maar naar een ander z’n verhaal luisteren daar had hij de grootste moeite mee. Desondanks had ik toch een uitstekende gids aan Axcel gehad en was hij hulpvaardig genoeg om me bij mijn verdere reisplannen in Sulawesi van advies te voorzien, dus zouden we elkaar in Palu nog wel zien.
Terug in Hotel Buana kon ik weer dezelfde kamer krijgen en ik heb er een rustige dag van gemaakt nadat ik elf ansichtkaarten had volgeschreven en gepost. De volgende ochtend had ik een hele waslijst van dingen die moesten gebeuren. Om te beginnen eerst de was de deur uit gedaan en dat was hard nodig ook na die jungletocht. Daarna hield ik voor het hotel een minibus aan om me naar het Garuda kantoor te laten brengen voor een herbevestiging van de terugvlucht. Zowaar begon de chauffeur die Mahmur heette in redelijk Engels tegen me te praten en hij bleek bovendien een collega van Axcel te zijn die ook de nodige ervaringen in Lore Lindu had opgedaan. Omdat ik op een vroeg tijdstip was vertrokken had ik de tijd en reed ik naast hem in zijn busje de hele stad in de rondte. Veel studenten moest hij die ochtend naar de universiteit brengen, want de zomervakantie was afgelopen. Ondertussen moest ik hem over mijn reizen in Indonesië vertellen en over mijn land van herkomst. Toen hij me uiteindelijk bij het Garuda kantoor had afgezet bleek deze gesloten te zijn, maar aan de overkant van de straat was wel een kantoor dat Merpati, Bouraq en Silkair vertegenwoordigde. Na enig informeren werd ik daar doorverwezen naar het Merpatikantoor op de jl. Kartini, de straat van mijn hotel! Daar aangekomen bleek men weer geen woord Engels te kunnen spreken, maar met wat woordjes bahasa kon ik de man achter het loket uileggen wat de bedoeling was. Na enige tijd heen en weer getreuzel liet hij me weten niets voor me te kunnen doen. Voor een herbevestiging moest naar Ujang Pandang gebeld worden en dat kon alleen in een wartel gebeuren (naast mijn hotel ). Nu zat daarnaast ook weer een traveling-service kantoor, en gelukkig sprak daar een bediende wél goed Engels en bovendien bereid om me te helpen naar Garuda in Ujung Pandang te bellen. Zo werd mijn vlucht naar huis alvast herbevestigd, en dat was geen overbodige luxe, want Garuda staat erom bekend niet op tijd herbevestigde plaatsen gewoon door te verkopen. Nadat ik de rest van het lijstje had afgewerkt zoals geld uit de muur tappen, kruidenthee kopen en lunchen ging ik weer terug naar de jl. Kartini in een poging daar in de wartel Axcel te bellen. Na een mislukte verbinding kwam tot mijn verbazing Axcel zelf het wartel gebouw binnenlopen. Hij bleek de hele ochtend al naar me op zoek geweest en had me natuurlijk niet kunnen vinden. Op mijn hotelkamer keken we daarna op de kaart van Sulawesi naar een geschikte busroute van Palu naar Ujung Pandang via de westkust en daarna liepen we naar de bis terminal voor een plaatsbespreking van het eerste gedeelte van Palu naar Tike ( Pasang Kayu ). De volgende dag moest ik er om 10.00 uur aanwezig zijn, als ik tenminste nog wat beenruimte zou willen hebben, want om 11.00 uur zou de bus vertrekken. Daarna werd het tijd om afscheid van Axcel te nemen, nadat ik hem had beloofd hem over het vervolg van de trip te zullen schrijven.

Woordenlijst

kamar mandi: badkamer
air putih: (gekookt) drinkwater
surat jalan: looprecht
pedas: scherp gekruid
kasihan: zielig, jammer
ladang: droge akker
parang: kapmes
ubi: knol, cassave
jangkrik: krekel
danau: meer
losmen: logement, pension
wartel : winkel waar je kan telefoneren
bis terminal: busstation


Volgende week deel vier.



indahnesia
User
spacer line
 





dangdude03
User
User icon of dangdude03
spacer line
 

4. Terug naar Jakarta.


De publieksbus die om 11.00 u zou vertrekken vertrok pas om 13.00 u en in die tussentijd moest ik aan mijn medepassagiers uitleggen waarom ik nu in vredesnaam naar Tike wilde. Tike is een gehucht aan de weg van de westkust die uiteindelijk helemaal bij Ujung Padang uitkomt in het zuidwesten van Sulawesi. Dat uitleggen moest in het bahasa Indonesia gebeuren omdat er niemand Engels sprak, behalve een meisje dat heel schuchter wat woordjes uitprobeerde die ze op de middelbare school had geleerd. Ze wist me duidelijk te maken dat er zowel in Pasang Kayu als in Tike, behalve mooie natuur, eigenlijk niets anders zou zijn dan wat bamboehutten en als ik geluk had misschien een losmen. Toen we eindelijk vertrokken was de bus, zoals gewoonlijk het geval is met openbare bussen in Indonesië, volgestouwd met de meest uiteenlopende bagage zoals zakken rijst, meel en pepers, bossen groente en dozen met pluimvee, zodat de plaats die mij was toegewezen in verband met de lange benen al was volgepakt. Daarbij kwam een heel aardige dame van naar ik schatte honderdvijftig kilo naast me zitten die me regelmatig zoete kokoskoekjes toestopte en ook graag wilde weten waar ik naartoe ging en wat ik ging doen.
Aanvankelijk liep alles gesmeerd en van buiten kwam een sterke kruidnagellucht de bus in. Die bleek van de bloemknopjes afkomstig te zijn die buiten langs de kant van de weg op bamboe matten lagen te drogen variërend in de kleuren geel - groen tot donkerbruin. Ook aan kokospalmen ontbrak het hier niet en de niet geasfalteerde weg werd langzaam aan meer wasbordachtig, zodat de bus langzamer ging rijden en steeds meer de neiging vertoonde te gaan kantelen. Dat laatste gebeurde gelukkig niet, maar het had wel een lekke band als gevolg. Iedereen moest eruit natuurlijk, anders ging het krikken te zwaar, dus zochten de passagiers een plek in de schaduw van de palmbomen en kon ik even met de camera pronken terwijl iedereen gewillig poseerde. Nadat er een band was verwisseld konden we weer verder en een tijdje later stopten we bij een wegrestaurant waar het eerst dringen was bij de toiletten, omdat iedereen al uren nodig had gemoeten, waarna men een pedas gekruide hap snel naar binnen moest werken omdat iedereen wel wist dat als je net begonnen was met eten de bus alweer stond te toeteren. Tegen een uur of vijf in de middag werd er Pasang Kayu omgeroepen en iedereen in de bus keek daarop naar mij. Nou, buiten was alleen wildernis te zien en verder niets, nog niet eens een bouwvallig hutje. Het meisje van eerder kwam me tegemoet en zei: ‘verderop is Tike, daar is wel wat.’ Maar ik begon zo langzamerhand die hulpvaardige Axcel te vervloeken en ik verdacht hem er zelfs even van dat hij me met opzet een ticket naar de middle of nowhere verkocht had. En toen daarna Tike in zicht kwam en ik er dus uit moest zei ik maar gekscherend: ‘ waar is het Hilton Hotel?’, want buiten was nog steeds niets anders te zien dan kokospalmen. Toch wees het hulpvaardige meisje schuchter met haar hand in de richting van iets dat op een dak van golfplaten leek en een ogenblik later liep ik in de richting van een bouwvallige hut in het midden van niks. Er zat zowaar een man op de voorgalerij en hoewel hij geen woord Engels sprak of iets dat op bahasa leek begreep ik dat er geslapen kon worden en dat ik in kamer drie moest zijn. Na een zwaar gepeperde kerrieschotel zocht ik het muffe hok op en spreidde mijn klamboe over de smoezelige brits omdat het er zinderde van het insectenleven. Ik had van mijn gastheer begrepen dat hier nooit toeristen kwamen, behalve een keer: twee Duitsers op de fiets!
De eerst volgende bus zou met ‘siang’, de volgende dag vertrekken, weer zo’n rekbaar Indonesisch begrip voor tussen 11 uur ’s ochtends en 3 uur ’s middags, zodat ik al die tijd langs de stoffige weg moest gaan zitten wachten in de brandende zon omdat ik die bus niet graag wou missen in deze verlaten wereld. Gelukkig bood mijn gastheer aan me met zijn brommer naar de bisterminal een paar kilometer verderop te brengen, maar daar aangekomen had men het niet meer over siang, maar malam voordat er een bus die kant op zou gaan en dat is dus ’s avonds. Ik begreep later dat door langdurige regenval de weg in zo’n slechte staat verkeerde dat alle verkeer die kant op was vastgelopen. Gelukkig had ik aan lectuur gedacht, dus pakte ik het eerste deel van de Soekarno - biografie van Lambert Giebels uit mijn rugzak en doodde zo de tijd. Dit trok echter wel weer aandacht, omdat er een opvallende foto van de vroegere president op de cover prijkte en enige tijd later stonden alle aanwezige mannen de platen en foto’s die in het boek waren afgedrukt uitgelaten te bewonderen. Het diende in ieder geval als kapstok om een gesprek aan vast te knopen en daarna moesten ook mijn zelfgemaakte kiekjes in de terminal de revue passeren. Uiteindelijk bleek een van die mannen toch wat Engels te praten en stelde zich aan me voor als Silmi. In de bus die na zessen arriveerde, kwam hij naast me zitten en op de momenten dat hij niet sliep raakten we gezellig aan de praat. Hij had een aantal jaren geneeskunde gestudeerd en wou daarom graag weten hoe een reiziger in de tropen zich tegen allerlei aandoeningen moest beschermen. Ik vertelde hem wat ik er zoal aan deed om gezond te blijven en de andere mannen en vrouwen van de terminal hingen over hun belendende stoelen om maar zoveel mogelijk van ons gesprek te kunnen volgen dat deels in het bahasa en deels in het Engels werd gevoerd. Na een laat diner dat we gebruikten in een rumah makan sopir was de bus weer vertrokken, maar kwam al gauw vast te zitten op een zeer slechte weg waar ook andere bussen en vrachtwagens gestrand waren, met hun wielen weggezakt in de roodbruine bagger. Het was een bedrijvigheid van jewelste daar midden in de nacht en uiteindelijk, na veel getrek en geduw van de sterkste passagiers, werd onze bus weer op gang geholpen. Omdat er ook een band was verwisseld moest ook de lekke gerepareerd worden. Het was voor de chauffeur en z’n bijrijders natuurlijk allemaal geen pretje, dus werd er regelmatig gestopt bij een rumah makan voor de nodige oppeppers en met zonsopgang de volgende dag waren we nog maar op de helft van de afstand gevorderd. Pas tegen 15.00 u werd Mamuju bereikt en nadat ik van Silmi afscheid had genomen en adressen uitgewisseld liet ik me in Wisma Fajar inschrijven. Daar kon ik me opfrissen en een tukje doen, waarna ik ’s avonds in het donker een becak aanhield met het verzoek me naar een Chinees restaurant te brengen, want ik was de gepeperde Islampot behoorlijk zat geworden. De fietstaxirijder was echter niet van het snuggere soort en hield halt bij een andere losmen waarna hij zei: ‘ restoran’. Pas nadat ik uitstapte en mijn wens een paar keer herhaalde reed hij weg om onderweg een paar keer te stoppen en bij collega’s van hem te vragen waar dat toch kon zijn. Zo kwamen we uiteindelijk in een karaoke tent terecht op de boulevard waar door enkele gasten meezingdeuntjes vals werden meegezongen op alles overstemmende discobegeleiding. Dat was geen geschikte achtergrond voor de vermoeide reiziger dus na een mie goreng was ik snel weer verdwenen met het voornemen Mamuju de volgende dag wel te bekijken.
Ik kwam de volgende ochtend al slenterend bij de bisterminal terecht alwaar een bus naar Pare Pare klaar stond te vertrekken, maar nadat ik de chauffeur had verzekerd binnen een kwartier terug te zijn was ik snel naar mijn wisma teruggegaan en had in een record tempo mijn rugzak ingepakt waarna ik weer terug naar de busstandplaats was gehaast. Daar dook ik op de achterbank van de bus, die meteen wegreed, en raakte aan de praat met Ahmur en zijn maten die de chauffeur hielpen. Het was meteen dikke pret, want ze vonden het prachtig dat er een bule bij hen zat die zowaar wat bahasa kon spreken en zelfs de moeder van een deze jongens die meereed tot Pinrang was een en al oor en medeleven. Ik had inmiddels een standaard repertoire opgebouwd. Foto’s doen het dan altijd goed; hoe het in Holland is, mijn familie, dat ik alleen reis en bujang ben en over mijn eerdere reizen in Indonesië. Na een uur of wat voelde ik me alsof ik in een familie was opgenomen en werden er zelfs staaltjes van vertrouwelijke humor vertoond. Zo kwam er bijvoorbeeld een jongedame de bus in en er was alleen nog een klein plastic krukje waarop ze kon zitten en die werd precies voor mij in het gangpad neergezet, en wel op zo’n manier dat ik haar met mijn knieën kon vastklemmen. De jongen rechts van mij zei zachtjes dat ze nog nona was, dus ongetrouwd en hij duwde steeds tegen me aan zodat mijn knieën haar aanraakten. Schooljongens-gein dus. Uiteindelijk werd de jongedame lid van de familie want nadat we gestopt waren om de benen te strekken ging ik rond met een zak salak fruit en kwam met haar in gesprek over mijn aanstaande vertrek terug naar Holland. Ze vond dat ik wat van die exotische vruchten mee moest nemen als oleh oleh naar dat verre vreemde koude land.
In Pinrang moest ik overstappen, wat eenvoudiger was dan ik had gedacht, want er stond al een minibusje naar Pare Pare klaar en het was bij de totale prijs inbegrepen. Er werd me zelfs gevraagd waar ik precies heen wilde, dus vroeg ik naar een net, schoon en niet te duur hotelletje, waarna het busje stopte op de jl. Makkasau waar een vrij nieuw hotel stond met de naam Permata Sari. Daar huurde ik een kamer in de V.I.P. klasse met als nadeel dat er een behoorlijke borgsom opgehoest moest worden. Ik werd er inderdaad als V.I.P. behandeld want er waren maar liefst drie kamerjongens die voor me holden en achter de balie hielp een aardige en charmante dame me met het invullen van de gebruikelijke gegevens. Na een heerlijke warme douche heb ik het restaurant Asia opgezocht dat terecht in alle gidsen bovenaan vermeld stond bij ‘eetgelegenheden in Pare Pare’. Een akoestische close harmony groep zong Latijns Amerikaans getinte songs bij mij aan tafel terwijl ik mijn sop ayam en cap cay naar binnen lepelde. De heren kwamen na afloop niet eens een fooi ophalen, dus waren ze misschien door de Chinees ingehuurd. Voor een goede digestie was een wandeling over de lange jl. Makkasau de juiste keus waarbij het ‘ hello mister’ niet van de lucht was. Ik voelde me er meer op mijn gemak dan in Mamuju de avond ervoor zodat ik besloot een dag te blijven. Maar na de stad de volgende ochtend een vluchtige inspectie gegund te hebben vond ik het wel genoeg; het hotel en restaurant Asia bleken de enige interessante onderwerpen van de stad. Nadat ik die ochtend naar het strandboulevard was gelopen klampte een becak rijder me aan en we spraken voor een bedrag af dat hij me een half uur zou rondrijden. Al fietsende maakte de man me duidelijk dat hier banyak gadis nakal waren, waarbij hij het internationale gebaar met duim en vingers maakte en toen ik hem later vroeg of hij soms iets te drinken wenste, werd ik ongevraagd bij zo’n gelegenheid afgezet. Een gezette dame kwam me daar vragen of ik chicky chicky wilde, maar het vertrek stonk zo naar de verschraalde urine dat ik het liefst hollend was weggegaan, wat ik ook deed na het afrekenen van de consumpties. Op weg naar de bisterminal raakte ik in gesprek met een man van 77 jaar die gekleed was in een zwart - wit geblokte sarong en met een peci op z’n hoofd. Hij sprak me eerst in het Engels aan met de vraag: ‘ from which part of the world are you from?’ en barstte daarna in het Nederlands los toen ik het hem vertelde. Hij had het al vele jaren niet meer gesproken, maar ik kon hem beter verstaan dan een boer uit Bergambacht. Hij had slechts twee voortanden in z’n mond en droeg een Pancacila speldje op zijn revers en hij bedankte me uitvoerig voor het feit dat hij z’n Nederlands weer eens had kunnen ophalen. Ik besefte dat deze mensen uitstervende waren en dat hun kinderen hoogstens nog ‘alles goed?’ konden zeggen, waarbij het dan ook wel ophield.
De bus zou om 7 uur de volgende ochtend vertrekken zodat ik nog wat zoete broodjes kocht voor het ontbijt. Bij terugkomst in mijn hotelkamer vroeg ik om air putih waarna twee kamerjongens de kan met kokend water kwamen brengen om me te vragen waar ik vandaan kwam en waarheen, waarom ik alleen reisde en hoe berani dat wel niet was.
De bus deed er de volgende dag, zoals voorspeld, drie uren over om in Ujung Padang te komen en daar stapte ik op de chaotisch drukke bisterminal over in een minibusje dat me naar een gesloten ( want verhuisd) Garuda kantoor bracht. Bij het nieuwe adres aangekomen kwam ik net wat geld te kort voor mijn gewenste ticket naar Jakarta, de bank ernaast had geen geldautomaat en aan guldens wisselen werd niet gedaan. Een voorbij fietsende becak rijder wist wel een bank, maar nadat hij me via veel stoffige lanen naar een verwaarloosd koloniaal pand had gefietst waar zo te zien iets als een fancy fair aan de gang was zei hij: ‘bank’ en eiste vervolgens zijn rupiahs. Ik was Ujung Padang meteen al zat en de taxichauffeur die ik daarna aanhield opperde dat ik op het vliegveld ook wel aan een ticket kon komen en zo een hoop drukte en geraas zou kunnen besparen. Op Hasanudin airport werd ik door twee mannen benaderd die me graag een ticket naar Jakarta wilden verkopen. Ik moest aan een van hen mijn naam spellen die hij weer doorbelde naar een stadskantoor en even later in een achteraf plekje, niks geen officiële balie, kon ik tegen betaling een ticket krijgen. Als ik daar opgelicht was, waar ik niet gek van zou hebben opgekeken, was het mijn eigen schuld geweest, maar nee, een uur later (13.30u) kon ik netjes in een Merpati toestel stappen.
Op Soekarno – Hatta airport aangekomen stond ik erop een taxi te krijgen met meter, dus geen gezeur. In het verleden had ik de meest uiteenlopende bedragen betaald voor die rit naar de stad dat ik het zat was geworden steeds afgezet te worden, ook al gaat het slechts om een paar tientjes. Die meter kreeg ik, al zei de chauffeur er wel bij dat er tol werd geheven, ‘this is Indonesia’ alsof dat alles verklarend zou zijn. Weer terug bij mijn vertrouwde guesthouse Gondia kreeg ik te horen dat ik maar één nacht kon blijven, daarna was het volgeboekt, maar toen ik later ging eten zei de kamerjongen dat ik wel langer kon blijven, ik zou het de volgende dag wel horen. Ik moest nog drie dagen vol maken voordat mijn vliegtuig zou vertrekken en de voorspelling van de kamerjongen bleek juist want ik kon die dagen toch op dit vertrouwde adres verblijven, waar ik hoofdzakelijk op adem kwam door wat lezend uit te rusten en wat te shoppen in de stad. De Jakarta Post die ik op de jl. Jaksa had gekocht maakte melding van een treffen tussen twee bendes de dag ervoor en de Rupiah zou zijn gekelderd tot onder de dertig cent. Op aanraden van Silmi uit de bus kocht ik bij Sarinah een verzamelcassette van Rhoma Irama, de koning van de dangdut, die met zijn zestig jaar nog steeds volle zalen trekt in dit land met zijn muziek waarin Indiase en Arabische invloeden verweven zijn met pop en disco en waarin hij de moderne Indonesische islamitische jeugd waarschuwt tegen de kwalijke gevolgen van de westerse levensstijl. Mijn laatste rupiah’s wisselde ik in voor (westerse) jeans en T – shirts zodat ik met schone kleren aan pulang – weer naar huis - terug kon vliegen.

Woordenlijst

losmen: pension, logement
siang: overdag, in de voormiddag
malam: avond, nacht, laat
rumah makan sopir: wegrestaurant
wisma: hotel, gasthuis
becak: fietstaxi
restoran: restaurant
mie goring: gebakken mie
bule: blanke, Europeaan
bujang: vrijgezel
nona: juffrouw
salak: peervormige vrucht met slangenhuid
oleh oleh: cadeau, souvenir
sop ayam : kippensoep
cap cai: tjaptjoi
banyak gadis nakal : veel ondeugende meisjes
berani: moedig, durven
dangdut: Indonesische popmuziek
pulang: terug naar huis

Volgende week deel vijf.







dangdude03
User
User icon of dangdude03
spacer line
 

5. Gevlucht van Bali naar Oost Java.



De chauffeur die me na aankomst op Denpasar naar het drukke en toeristische Kuta reed vertelde me dat in Indonesië de schoolvakanties aan de gang waren en dat het daardoor zo moeilijk was om zonder reserveringen een budget hotel te vinden. Het dure Hotel Melasti Beach Bungalows bood me een luxe waarop ik als eenvoudige rugzaktoerist niet zat te wachten en deed me uiteindelijk besluiten om de volgende dag reeds, zonder deze populaire tropische vakantiebestemming langer dan een dag aan te zien, te ontvluchten. Met een paar stappen buiten het hotel kwam ik tussen de straatventers en ronselaars terecht: een goed restaurant gezocht of wat dacht u van een fraai origineel Balinees schilderij? You want transport miester? En daartussendoor paradeerde het blanke korte broeken volk dat men daar orang Belanda noemt. Tijdens het happy hour zaten ze bij elkaar geklit in de voordeligste gelegenheden liters bier weg te drinken met hun roodverbrande torsen en hadden het over de kwaliteit en de prijzen van hun hotel of losmen. Ik had het plan opgevat om per bus naar Oost Java te gaan (‘u gaat toch niet naar Surabaya sir?, het is daar niet safe’, vertelde een dienstdoende jongeman bij een toeristen informatiekantoor) om zo snel mogelijk uit deze grootschalige oplichterij weg te komen. Ik had me die eerste dag door twee onschuldig ogende meisjes laten overhalen een manicurebehandeling te laten ondergaan in een donker schuurtje nabij de Pantai Kuta Street. Terwijl een oudere broer aan een glanzend imponerende brommer stond te sleutelen in een hoek van het duistere vertrek, werden de nagels van zowel mijn handen als van mijn voeten aan een uitgebreide vijl – en polijstbeurt onderworpen en daarna bovendien van een transparante laklaag voorzien. Ik had de activiteiten van beide jongedames gelaten over me heen laten komen en had alleen geprotesteerd toen een van hen ook nog eens aan mijn haar wou beginnen. Nietsvermoedend glimlachend had ik de nona naar de onkosten gevraagd, maar deze kwamen met zo’n belachelijk hoog bedrag op de proppen (waarvan ik op Java drie nachten in een eenvoudig hotel zou kunnen verblijven) dat ik dacht het verkeerd verstaan te hebben. Maar nee, de dames hielden aan en met grote broer op de achtergrond had ik niet bepaald trek in problemen. Hoe vaak hadden die onschuldig ogende melati bloesems deze truc op ‘rijke’ westerlingen eerder uitgehaald?
Informerend naar busvervoer richting Malang bij het toeristenkantoor werd mij verzekerd dat dit geen probleem zou vormen, en er werd geregeld dat ik de volgende ochtend om acht uur door een chauffeur met de naam Made in een minibusje opgehaald zou worden om naar de bisterminal te worden gebracht.
Die ochtend zaten er typische yups bij mij aan het ontbijt op een patio in de tuin van het ruime bungalowcomplex: ‘will you take these eggs back because they’re not well done’; rijkeluizoontjes uit Australië die er op surfvakantie waren en ‘s ochtends al rondjes zwommen in het aangrenzende zwembad. Naast me zaten een Chinese zakenman en z’n vrouw van me af te kijken hoe ze toast en gebakken eieren met mes en vork moesten eten terwijl ze hun plannen voor de komende dagen aan me vertelden. We zouden elkaar nog tegenkomen bij een van de vele busritten die ik op Java zou gaan ondernemen. Made bracht me zoals afgesproken naar de terminal, regelde een kaartje voor Malang – in Pasuruan overstappen – en de rit zou twaalf uren gaan duren. Ik zat er tussen uitsluitend autochtonen die waarschijnlijk met de vakantie familie in Oost Java zouden gaan bezoeken. Op de ferry van Gilimanuk naar Ketapang op Oost Java konden we de benen strekken, een frisse neus halen en een kartonnetje hete noedels eten dat bij het buffet aan dek geserveerd werd. Ik vulde de tijd met het maken van dia’s terwijl ik mijmerend over de reling hing en de eindeloze dieptes van de azuurblauwe Gilimanuk baai bewonderde.
Na het overstappen in de bus naar Pasuruan kwam ik naast een jongeman te zitten die zich aan mij voorstelde en vervolgens vroeg of hij me mocht rondgidsen in Malang. Het leek wel wat op een herhaling van Manado, een jaar daarvoor. En wat het moest gaan kosten? Daar wou Iwan niets van weten. Hij was pas afgestudeerd aan de middelbare school en was van huis in Pasuruan weggelopen omdat hij zonder werk zat en daardoor ruzie met zijn vader had gekregen. Hij nam er genoegen mee z’n engels op te kunnen vijzelen, en aangekomen in Malang hielp hij me een hotel te vinden. Het werd het wat prijzige Pelangi Hotel waar ik voor twee nachten boekte, maar als ik langer in Malang zou willen blijven wist Iwan een goedkoper onderkomen in de buurt. Zo zaten we even later in de lounge aan de thee en de koffie mijn plannen voor de komende dagen door te nemen met een inmiddels door het tropische klimaat aangetaste Bill Dalton gids en de Nelles landkaart van Java erbij. Hij zou me met zijn brommer de stad laten zien. Hij vertelde over de toeristische attracties rondom de stad waarover ik al had gelezen en we kwamen gezamenlijk tot de conclusie dat er heel wat te bezichtigen viel. Met het betalen van de taxi naar z’n studentenflat besefte ik dat het wel op veel trakteren zou gaan uitdraaien, maar dat het aan de andere kant weer zou schelen in de reiskosten en de toeristenbureauprovisies, dus zou ik wel zien waar het schip zou stranden. Op mijn hotelkamer kreeg ik die avond kortsluiting na wat gepruts aan een defecte schemerlamp – werk voor roomservice de komende dag – en er zat een kakkerlak in de badkamer, maar het warme en ruime ligbad maakte een hoop goed.
Iwan kwam me, zoals afgesproken, de volgende ochtend oppikken met z’n brommer en daarmee reden we langs bezienswaardigheden in Malang zoals het oude stadhuis, de protestantse kerk, de Mesjid Jami moskee en het uit tempo doeloe daterende Toko Oen. Omdat Iwan bij nader inzien de afstanden naar bezienswaardigheden als Candi Singosari wel wat ver vond kwam hij op het idee zijn maat Dhimas op te zoeken die een auto tot zijn beschikking had, dus gingen we naar Iwan’s logeeradres, – een soort studentenpension – waar hij samen met twee andere medestudenten een matras deelde in een bedompte kleine kamer. Nadat hij me aan Slash (ook wel Squarehead genoemd vanwege zijn platgeknipte kapsel met hoekig sikje) en Dhimas (een slanke jongeman met geblondeerde krullen) had voorgesteld stapten we in de fraaie jeepny die Dhimas had geleend van z’n moeder en kwamen na een tijdje toeren aan bij een bijzonder gebouw. Het Niagara Hotel was in 1918 door een Braziliaanse architect gebouwd in art deco stijl en bevatte vooral van binnen veel juweeltjes, zoals de met vogels en gebloemde motieven uitgeslepen ramen en de fraaie met mozaïek ingelegde tegelvloeren. Er was daar onlangs een Nederlander op de fiets geweest met de naam Aad Ham. Ik zag zijn naam staan in het gastenboek die de dienstdoende oppasser me voorhield om te tekenen en hij keek verbaasd dat ik hem niet kende. Daarop vertelde ik hem dat Nederland misschien wel klein was, maar dat ik daarom nog niet iedereen kende. Helaas begon het te storten van de regen toen we kebun Raya Purwodadi naderden en dus reden we met de jeepny door het park – schande – ,maar ja. We stapten wel even uit voor de nodige plaatjes en in een soort muziektent waren geschminkte kinderen in Javaanse klederdracht aan het schuilen. Ze hadden gehoopt een voorstelling te geven, die nu aan het verregenen was en waren dan ook blij dat er tenminste iemand interesse toonde en foto’s maakte. We vervolgden onze tocht naar Candi Singosari, een imposant bouwwerk uit 1293 met een verscholen beeld in een nis. De regen wou niet stoppen en dat maakte een uitstapje naar Batu niet mogelijk. Daarom stelde Iwan voor mij te helpen verhuizen naar een ander hotel. Ik had aanvankelijk begrepen dat ik twee nachten in Hotel Pelangi kon blijven, maar hij wist me te vertellen dat de kamer meer moest gaan kosten als ik langer wilde blijven, dus na mijn spullen te hebben opgehaald werd het Hotel Tosari, dat zonder kakkerlakken ook voordeliger was. Ik vond dat een rondje van mijn kant nu wel op zijn plaats was en betaalde naast de diesel ook de nasi goreng voor allemaal, maar daar stond weer tegenover dat er verder niets geregeld hoefde te worden: geen ge - tawar met bemodrivers of taxichauffeurs, en wat kost nou een volle tank en drie nasi goreng in Indonesië? De jongens hadden eigenlijk naar het gebed in de moskee gemoeten, maar dat schoot er dit keer bij in.
Al bladerend in de Bill Dalton gids besefte ik dat het wel een week zou gaan duren om alles rond Malang te gaan zien, maar of ik dat zou gaan doen wist ik nog niet. Het Brawijaya Army Museum had ik die dag maar overgeslagen, want een heel museum met oorlogstuig uit de tijd van de Jappen trok me niet zo aan. Onder de nasi goreng bespraken we de uitstapjes van de komende dagen, en een mogelijke tocht naar de Bromo vulkaan. Slash was al eens op Gunung Semeru geweest, in een tentje, een week lang. Hij was geïnteresseerd in hawks (haviken) en wist er veel over te vertellen
Nadat ik in een ander hotel aan de overkant had ontbeten met een champignonomelet en verse air jeruk (omdat er in Tosari geen ontbijt werd verzorgd) en ik op MT 5 Asia op de TV van mijn hotelkamer de laatste ontwikkelingen in de Tour de France had gevolgd, was ik nog even een tukje gaan doen. Het nadeel van Hotel Tosari was dat het heel rumoerig was: veel geklets op de gang tot diep in de nacht en om 03.00 uur ’s ochtends reeds de oproep tot het gebed vanaf de naburige moskee, met een herhaling daarvan een uur later. Vandaar dat ik om de een of andere reden niet open deed toen er rond half tien op mijn deur werd geklopt. In mijn onderbewuste toestand had ik het wel gehoord, maar ik had een telefoontje verwacht. Pas na een tweede serie kloppen drong het tot mijn slaperige hoofd door dat het Iwan, Slash en Dhimas moesten zijn, die me kwamen oppikken voor een nieuwe dag toeren. Omdat in de buurt van de pinautomaat waaruit ik mijn geld haalde een hospitaal was aangegeven vroeg Ik Iwan of hij me daarheen wou vergezellen in verband met een ontstoken ooglid. Na veel bureaucratische rompslomp – formulier invullen, ander formulier invullen en daarna aansluiten bij een rij voor een loket om tegen geringe betaling een stempel op het document te verkrijgen – werd ik eerst door een broeder onderzocht; bloeddruk, hartslag opgemeten en daarna kwam de eigenlijke oogarts. Hij vertelde dat mijn ooglid ontstoken was omdat er vuil in was gekomen en dat de zwelling moest worden opengesneden om het pus eruit te laten lopen. Hij verwees me vervolgens naar de operatieafdeling, waar ik cijfers en letters op een bord van groot naar klein moest opnoemen, en de aanwezige zusters en ander personeel die deze vertoning met belangstelling volgden, lieten gezamenlijk hun oh’s en ah’s horen bij het foutief opsommen van de kleinere cijfers en letters. Ik wist wel dat ik eigenlijk een bril voor in de verte nodig had, maar nu bleek toch wel dat mijn oogafwijking ernstiger was dan gedacht. De hoofdzuster kwam daarna met het onweerlegbare bericht dat de operatiekamer moest worden gedesinfecteerd en dat ik over twee dagen (maandag) terug moest komen. Dat vond Iwan maar niks en hij bracht me weer terug bij de oogarts. Die scheef me een voorlopige antibioticumkuur voor en een zalfje. Hij vroeg wat ik van Indonesië vond. Slechts één dag op Bali geweest? Hij vond dat ik beter terug kon gaan. En wat was mijn impressie van Indonesië? Ik zei hem dat ik me hier senang voelde en het wel begreep dat men de toeristen liever bij elkaar zag op het veilige Bali, maar dat ik graag het echte Indonesië wou zien en inmiddels wel wat gewend was. Ik zou wel oppassen en tijdig weggaan als de politieke situatie de mensen de straat op dreef. Daarna adviseerde hij me alleen nog de mount Bromo te bezoeken.
Zo had dit alles een hele ochtend in beslag genomen terwijl mijn drie nieuwe maten trouw op me zaten te wachten zonder te mokken. Bij het zoeken naar een geschikte lunchplaats werd ik in de drukte van het centrum bijna beroofd. Mijn (gezonde) oog viel tijdens het eten op een openstaande rits van mijn rugzak, en mijn zonnebrilkoker, gedragen aan mijn riem was half gesloopt (zonder zonnebril, want die zat op mijn hoofd). Ik miste alleen de zojuist verworven oogmedicijnen en zonder iets te vragen waren Slash en Iwan al in de geparkeerde Suzuki gaan kijken, overigens zonder resultaat. Tot mijn grote schande vond ik ze later terug in een van de vele vakjes die mijn nieuwe Eagle Creek rugzak rijk was, wat soms dus een lastig nadeel kan zijn. Nu begonnen we dan met de tocht naar Batu, een inmiddels behoorlijk toeristisch dorpje in het Lawang gebergte waar een soort park met waterval bleek te zijn. Ook stonden er veel stalletjes waar vooral appels werden verkocht, maar ook de bekende frisdranken en flessen met water. Iwan vertelde dat er aan de 1200 meter hoge Putri Tidur berg een legende vastzat. Die ging over twee geliefden die elkaar daar waren verloren. Bijgelovige mensen denken dat wanneer een verliefd stel daar naar toe gaat, de verbintenis verbroken wordt. Men was tegenwoordig blijkbaar niet meer zo bijgelovig, want het was er zeer druk, ook met jonge verliefde stelletjes en dat was logisch want het was weekend. Na een dia van de waterval te hebben geschoten was de film vol en bleek ik geen nieuwe rolletjes bij me te hebben. Daarop kocht Iwan een rolletje bij een stand in het park, maar dat bleek bij nader inzien geen diafilm te zijn. Toen hij daarna bij de stand zijn geld terug eiste wou de man daarvan niets weten, waarop Iwan met een flinke dosis leeuwenmoed op de vuist wilde. Gelukkig is het zover niet gekomen en vonden we een grotere fotozaak die wel diafilms had. Voor het avondeten brachten de jongens me naar een heel speciaal visrestaurant : warung Ikan Segar, met (heel ongewoon voor Indonesië) gezellige bankjes in de openlucht en waterbassins waarin meterslange meervallen zwommen die de vissenkoppen opvraten die we erin gooiden. We aten er gurami (een zoetwatervis) en er liep een leuke serveerster uit Blitar rond waar Iwan een oogje op had en dat was voor hem wellicht de belangrijkste reden daar te gaan eten want Iwan verdroeg geen vis en at een tempe goreng gerecht.
Die avond zouden we het nachtelijk uitgaansleven van Malang gaan bekijken. Nadat we door de zo goed als uitgestorven stad hadden gereden kwamen we in een buitenwijk terecht waar vanuit de verte een dreunende vette bas kwam aangewaaid. Nadat we een behoorlijk prijzig toegangsbiljet hadden gekocht waarmee men een consumptie aan de tjokvolle bar kon afhalen, werd ik een soort jeugdsoos binnengeleid waar een funkband speelde – loeihard – zodat verder enige vorm van communicatie uitgesloten was. Nadat de band een aantal nummers had afgewerkt keken Iwan, Slash en Dhimas mij bezorgd aan, want ik voelde me er als een geit in de lift, en dat was kennelijk van mijn gezicht af te lezen. Ik had de jongens verteld, wat ik misschien beter achterwege had kunnen laten, over mijn muzikale verleden en ze hadden stil gehoopt dat er misschien iets van jammen zou komen, zodat ik een stukje gitaar zou kunnen spelen. Nadat we vroegtijdig de tent weer hadden verlaten bood Iwan mij ernstig zijn verontschuldigingen aan, wat ik afwimpelde met de opmerking dat ik zoiets na mijn ontboezeming had kunnen verwachten,en omdat hun gezichten nog steeds op zwaar weer stonden schoot ik plotseling in de lach, waarna we gezamenlijk in een deuk weer naar mijn hotel terugreden.

Woordenlijst

orang Belanda: Nederlander
kebun: tuin
tawar: hier: afdingen
air jeruk: sinaasappelsap
warung: eenvoudig restaurant, winkeltje
tempe goreng: gebakken sojabonenkoek

Volgende week deel zes.








dangdude03
User
User icon of dangdude03
spacer line
 

6. Een Bromosoep in Hotel Yoshi.

Slash moest de volgende ochtend naar een leraar van school voor een introductiegesprek, zodoende werd het geplande uitstapje naar Blitar met een dag uitgesteld. In plaats daarvan vergezelde Iwan me die dag naar enkele andere bezienswaardigheden van Malang, die allen te voet te bereiken waren. We gingen eerst naar het uit tempo doeloe daterende Toko Oen aan de Jl. Jend Basuki Rakhmad, tegenover de protestantse kerk, dat behalve als ijssorbet - paleis ook bekend stond om zijn westerse gerechten zoals kroketten, uitsmijters, koffie, gebak en snoepgoed. In een authentiek koloniale atmosfeer werden Iwan en ik bediend door een ober in een witte jas tutup, die zo vanuit een grijs verleden hier binnen leek te zijn gestapt. Dit bedrijf, dat vroeger ook filialen in Jakarta en Semarang had (en nog steeds heeft), dateerde evenals een deel van het interieur uit 1923. Iwan at net als ik nooit ijs en bestelde liever een koffie terwijl ik mijn dorst leste met een glas vers geperst meloensap. Daarna slenterden we wat in de omgeving van het imposante stadhuis, waar vooral op de vogeltjesmarkt een gezellig drukke zondagssfeer heerste, en de aangrenzende bloemenmarkt bood voldoende onderwerpen die het waard waren op de gevoelige plaat vast te leggen.
Nadat we weer met z’n vieren hadden gegeten in het visrestaurant met de meervallen reden we die avond richting Batu de bergen in en hielden halt bij een warung van bamboe die aan de rand van de weg over een afgrond gebouwd was. Deze plek bood een sprookjesachtig uitzicht op de stad Malang dat in de duistere vallei in de diepte lag te schitteren als een zwerm vuurvliegjes, en terwijl wij van onze gemberthee en koffie genoten, waren spookverhalen, guna - guna, Holland en sneeuw, maaneclips en zonsverduistering onderwerp van onze gesprekken, die in de vorm van neveldampen onze monden verlieten door de lage temperatuur die daarboven heerste.
Nadat ik op mijn hotelkamer had ontbeten met chocoladeroti uit een warung reden Iwan en ik die maandagochtend vroeg weer naar het ziekenhuis waarvan de operatiekamer inmiddels was gedesinfecteerd. Ook nu moest ik eerst weer de bekende oogtest met de kleine lettertjes ondergaan, alsof mijn ogen in een weekend tijd dramatisch achteruit gegaan zouden kunnen zijn, waarna het dan toch echt tijd was geworden om onder het mes te gaan. Iwan stond me de hele tijd bij en hielp bij het vertalen en regelen, want we werden aanvankelijk van hot naar her gestuurd. De dienstdoende chirurg bleek een vrouw te zijn die me in goed verstaanbaar Hollands antwoordde, want ze had vroeger in Nederland gestudeerd. Daarna mocht ik op de operatietafel plaats nemen en kreeg een groen laken met gat erin over me heen en terwijl ze me al babbelend op mijn gemak trachtte te stellen depte ze met een ontsmettingsmiddel mijn aangetaste ooglid schoon. ‘There comes the icecream’, zei ze nadat ze middels een venijnige haal met het mes had toegeslagen, waardoor de opgehoopte vuiligheid vrijkwam en waarna ik opgelucht ‘U bent grappig’ terugkaatste. Een in het witte pak gestoken broeder plaatste daarna een verband op de behandelde plek en daarmee werd de operatie als afgesloten beschouwd.
Zo reden we later die ochtend, nadat we Slash en Dhimas hadden opgehaald de honderd kilometer in zuidwestelijke richting van Malang naar Sentul, waar niet ver van het middelgrote stadje Blitar, Makam Proklamator, de graftombe van Soekarno te vinden is tussen de graven van zijn vader en zijn Balinese moeder. De eerste acht jaren na zijn dood was het graf van de eerste president van Indonesië, behalve dan door een parasol (een symbool van macht), verstoken geweest van ook maar enige opsmuk, maar na 1978 toen de roerige tijden van de machtsovername waren weggeëbd, werd het graf van een monumentaal marmeren grafsteen voorzien en er een toeristisch park omheen gebouwd waar men tegenwoordig, zoals bij de meeste bezienswaardigheden in Indonesië, terecht kan voor een aandenken bij souvenirstalletjes, warungs en restaurants. Ook het geboortehuis van de grote roerganger bezochten we daarna en mijn Javaanse vrienden leken diep onder de indruk te zijn van Soekarno’s laatste zwarte Mercedes met donker getinte vensters die in de garage van het goed onderhouden gebouw geparkeerd stond alsof hij elk moment weer zou uitrijden. Het er vlakbij gelegen rariteiten Zoo had niets met Soekarno te maken en was bizar: een kip met vier poten, een geit zonder poten en een krokodil van vier meter met een foto erbij van een exemplaar dat was opengesneden en waaruit een menselijk been tevoorschijn kwam. Hoewel ik met één oog in het verband liep waardoor ik alles slechts tweedimensionaal zag, vond ik die dag een absoluut hoogtepunt in ons bezoek aan Candi Panataran, het tien kilometer noordelijk van Blitar gelegen grootste tempel- en ruïnecomplex van Oost Java, de heilige plaats van het Majapahit rijk. De bouw van dit enorme heiligdom dat over een uitgestrekt terrein verspreid ligt, begon rond 1197 tijdens de Singosari dynastie en zou 250 jaar in beslag nemen. Eén van de indrukwekkendste gebouwen ervan, de Naga Tempel op het tweede terras, deed vroeger dienst als opslagplaats voor heilige voorwerpen en was versierd met reliëfs die priesters met slangen en andere dierensagen moesten voorstellen. De gapura-poorten, die zo kenmerkend zijn voor Oost Java en Bali treft men ook hier aan en ze verbinden de drie brede binnenplaatsen met elkaar. Als afsluiting aten we in een tempo doeloe hotel met witte pilaren, indrukwekkende kroonluchters en met portretten van Bung Karno aan de wand, waarvan ik helaas vergeten ben de naam te noteren. Tijdens het eten kwam de vraag naar voren wat we de komende dagen zoal zouden gaan doen en er werd zelfs al een week vooruit gekeken. Dat vond ik toch te gek worden. Ik had niet echt een programma gepland, maar mezelf een week binden aan dit (toch wel gezellige) clubje ging mij net iets te ver en hakte daarom de knoop maar door : de volgende dag zou de laatste dag met ons vieren worden. Het leek er even op alsof ik een verkering had uitgemaakt, zo verslagen reageerden de jongens op dit besluit, maar ik beloofde hun te zullen schrijven en de foto’s die ik van ze gemaakt had op te zullen sturen. Eigenlijk had ik meteen al spijt van dit besluit en ik vroeg me af of het volgende gedeelte van mijn vakantie net zo enerverend zou worden. Terug naar Malang bewees Dhimas ( die ik voor de grap vaak aansprak met Alexander Dumas ) een rally coureur in de dop te zijn (of was het uit frustratie door mijn zojuist aangekondigde voornemen?) door op de tweebaansweg alles en iedereen in te halen of weg te duwen.
Weer terug in hotel Tosari was ik benieuwd of mijn kamer was opgeruimd, want sinds ik er was ingetrokken waren er zelfs geen handdoeken verwisseld, laat staan de boel schoongemaakt. Ik had hierover geklaagd bij de receptie alvorens die ochtend te vertrekken, maar bij terugkomst in mij kamer bleek er niets te zijn gebeurd, waarop meteen de telefoon overging. Of toen misschien de kamer schoongemaakt moest worden? (21.00. u ) Maar op dat moment was ik zelf hard toe aan een schoonmaakbeurt, dus niet meer nodig.
Terwijl Iwan en Dhimas de volgende ochtend mijn zonnebril lieten repareren waarvan een schroefje was weggeraakt gingen Slash en ik naar een internetzaak(WRemoved to prevent your adress from being spammed. Click this to go to the user profile.rnet) om e-mails naar het thuisfront te sturen. Nog behoorlijk onbekend met dit medium vond ik het nogal onwennig al die enigszins bekende gegevens op zo’n vreemd scherm te zien staan. Zo had mijn vriend Paul een berichtje gestuurd met de opmerking dat ik nu wel zou ‘genieten’ van die hete klerezooi welke Padang restaurants serveren, wat verre van de waarheid was, want de Oost Javaanse keuken bestaat in tegenstelling tot die van de Sumatraanse uit mild gekruide gerechten zoals de sateh kambing, soto ayam, nasi campur en niet te vergeten de overheerlijke gegrilde visschotels die ik er tot zover gegeten had. Een andere e-mail kwam van (vis)maat Ben die mij aansprak met ‘ouwe KNIL-er’ en dat ik geen sateh van me moest laten maken. Ik liet Slash, die wel reeds met het medium bekend was een paar berichtjes terugsturen en nam me voor zo snel mogelijk met internet vertrouwd te geraken zodat ik in het vervolg zelf deze klus kon klaren. Daarna begonnen we aan het laatste uitstapje van ons vieren, en daartoe reden we naar het plaatsje Ngantang nabij Batu wat aan het fraaie stuwmeer Danau Selorejo was gelegen. We huurden er een prauw en vier hengels, nou ja, bamboe latten met wat nylon snoer, en stukjes tempex die dienst deden als dobbers en hadden per man een zakje wormen als aas. Eerst peddelden we met de onwennige schuit naar een klein eilandje, waarvan ik aannam dat het een ‘hotspot’ zou kunnen zijn, maar om die reden waren daar juist netten geplaatst, zodat onze lijnen erin verstrikt raakten en er voor ons dus geen ruimte was. Bij een landtong waar de wind voor een rimpel in het water zorgde wist ik na een hoop getob met die gebrekkige spullen een graskarpertje te vangen van tien centimeter. Mijn maten wisten er helemaal niets van te bakken en gingen daar aan land om zeilbootjes in elkaar te flansen van afval dat ze in de waterkant aantroffen, zoals oude sandalen met een stokje als mast en een plastic zakje als zeil, en de zeelui in de dop waren daarna zeer in hun schik toen bleek dat hun zojuist te water gelaten vaartuigen het ruime sop goed konden weerstaan. Op de terugweg kwamen we langs een restaurant met de naam Amsterdam en puur uit nieuwsgierigheid besloten we er te stoppen en te eten. De zaak was destijds door een Nederlandse ondernemer opgestart, maar geen enkel item, behalve dan het embleem van een Hollandse molen op de voorgevel, deed verder aan mijn vaderland of zijn hoofdstad denken. Voor ons vieren betekende het wel ons laatste avondmaal en dat waren we ons allemaal goed bewust. Dhimas hield een soort toespraak in het Javaans (die Iwan voor mij vertaalde) waaruit bleek dat ik lid van een familie was geworden, wat me natuurlijk enorm streelde en ik vertelde hun dat mijn gevoelens ongeveer hetzelfde waren, dus sama sama. Voor het restaurant lieten we ons nog gezamenlijk op de kiek zetten door een bedienend personeelslid, die onwennig het toegestopte toestel met flitsapparaat bediende, want de door hem geschoten plaatjes bleken later mislukt te zijn. Het echte afscheid kwam de volgende ochtend pas toen Slash en Dhimas Iwan en mij naar de bisterminal brachten (Iwan zou me tot de Bromo vergezellen) Eerst gingen we naar zijn ouderlijk huis in Pasuruan waar we thee dronken en waar Iwan mij voorzichtig meldde, nadat hij een uitvoerig gesprek met zijn moeder achterin het huis had gehad, dat hij niet met me mee zou gaan naar de Bromo omdat hij een sollicitatiegesprek zou hebben de volgende dag. Nadat hij me een paar oude foto’s van Soekarno cadeau had gegeven bracht hij me nog op weg naar Probolingo (40 km) waar hij me als het ware overdroeg aan een ronselaar die Mr. Herman heette. Deze man van een jaar of dertig met het uiterlijk van een Pakistaan sprak goed Engels en regelde voor mij de trip naar boven inclusief een overnachting in Hotel Yoschi te Ngadisari, maar eerst kroop ik bij hem achterop de brommer om bij een BCA bank geld te pinnen, omdat Probolingo daarvoor voorlopig de laatste mogelijkheid zou zijn. Daarna werden Mr. Herman en ik door een chauffeur van hem in een zwarte Toyota naar boven gereden, terwijl mijn oren geregeld plopten – een teken dat we op hoogte kwamen. Het hotel bestond uit een verzameling hutten – cottages –van gedek dat als een doolhof gegroepeerd rond een restaurant was gelegen dat aangepast eten (bananenpannenkoeken, kip met frieten, witte boterhammen met hagelslag) verstrekte aan toeristen met ingewandstoornissen. Terwijl ik aan mijn menu zat dat bestond uit Bromosoep (tomatensoep met kaas) en nasi campur raakte ik aan de praat met Wah Wah, een vriendelijke serveerder die met veel interesse mijn verzameling Indonesische foto’s bekeek en ook wel eens graag naar Holland zou willen. Waarom geen woningen ruilen voor een bepaalde tijd, stelde hij voor, waarna we elkanders adressen uitwisselden; misschien komt het er ooit wel eens van. Naast serveren maakte hij ook muziek (zoals zijn naam eigenlijk al een beetje deed vermoeden) in het restaurant; met drie collega’s nam hij ’s avonds traditionele instrumenten zoals bamboefluit, bongo’s en xylofoons ter hand en werd er een beetje gejamd in een hoek van het restaurant. En het moet gezegd: het bracht een soort sfeer die men daar ook zou verwachten, ik voelde me al weer half in Bali terug, maar ja, dat krijg ik op bijna alle plaatsen in Indonesië waar veel blanke toeristen bij elkaar zijn.
Mr. Herman kwam me om half vier de volgende ochtend wekken en keek niet verbaasd dat ik al gewassen en geschoren klaar stond. Ik had voor dit soort gelegenheden een sweater, regenjas en stevige wandelschoenen meegenomen want de geraadpleegde literatuur hierover was duidelijk genoeg geweest over hetgeen men zoal kon verwachten tijdens uitstapjes als deze. Terwijl we in de fourwheeldrive Toyota jeep het laatste stuk naar boven reden kwamen dichte wolkenflarden ons al tegemoet op het moment dat we bij ‘de zee van zand’ – een soort maanlandschap van vulkaanas – aankwamen. Omdat ik het onderste uit de kan wou had ik gekozen voor het uitzicht vanaf Gunung Penanjakan die met zijn 2700 meter hoger ligt dan Bromo en Batur, en ik was duidelijk niet de enige. Ik heb bij geen attractie in Indonesië (behalve op Bali) zoveel Nederlanders bij elkaar gezien, naast de talloze Duitsers, Fransen en andere nationaliteiten die er rondliepen. Op die plek waren laantjes van stalletjes aangelegd volgestouwd met allerhande souvenirs maar waar nu horden toeristen rillend in gehuurde dekens en sarongs gewikkeld thee en koffie stonden te drinken, wachtend op het moment dat de laaghangende bewolking op zou trekken. Met het licht worden was er vanaf dit punt nauwelijks een berg te zien geweest en volgens twee Nederlandse meisjes die ik er sprak en die voor de tweede dag op deze locatie stonden te wachten, was het zicht de dag ervoor nog slechter, want toen waren zelfs de radiomasten niet te zien die hier duidelijk overal bovenuit staken. Die twee meisjes waren, net zoals Paul en ik twee jaar daarvoor, via Singapore en Batam eiland Indonesië binnengekomen en hadden zo te horen al heel wat rampjes meegemaakt: eerst beroofd, daarna lang op een politiebureau vertoefd voor de bureaucratische afhandeling daarvan en tijdens de Bukit Lawang trip was er één goed ziek geworden, kortom toch wel berani voor meisjes van net in de twintig. Ze hadden geen georganiseerde trips geboekt en reisden gewoon met openbaar vervoer en sliepen in goedkope losmens en wisma’s. Ze vroegen mij om raad betreffende Bali, ik was er tenslotte al eens geweest, en terwijl ik mijn ervaringen van Ubud en Lovina Beach vertelde schoof er een wolk weg bij de hoge top van de Semeru, maar voordat we het beseften was het moment weer voorbij en was alles weer in een dichte mist gehuld. Tegen een uur of zes gingen we naar een lager punt en daar was het zicht duidelijk beter. Een ademloos moment beleefde ik met de drie giganten op een rij, oranje – goudkleurig door de vroege ochtendzon. De perfect geschapen vulkaanvorm van de Batok (2440 m) naast de wijde krater van Bromo (2392 m) met de hoge Semeru (3676 m) op de achtergrond. Toen werd het tijd de Bromo van binnen te gaan bekijken en daarvoor moest men eerst weer door een onaardse omgeving struinen waarvoor men ook een paard kon huren, wat ik die arme scharminkels maar niet heb aangedaan. Tandenknarsend, niet van frustratie, maar van het vulkaanstof gingen Herman en ik via de toepasselijk genoemde ‘Stairway to heaven’, een 256 treden tellende stenen trap naar boven, een hele klim. Nu begreep ik waarom de gidsen met nadruk adviseerden om in een goede lichamelijke conditie te zijn, want mijn hart ging te keer als een dolgedraaide waterpomp na een dijkdoorbraak. Eerlijk gezegd vond ik de binnenkant van de Bromo minder spectaculair om te zien dan de drie vulkanen op een rij, maar wel een heel evenement en al die Bromogangers op paarden en de dik aangeklede Aziaten deden me op de een of andere manier aan Peru denken. Nadat we weer bij het hotel terug waren en ontbeten hadden zag ik Wah Wah nog die graag adressen wilde uitwisselen en met een klimmende zon in het gezicht daalden wij daarna weer af naar Probolinggo.

Woordenlijst

jas tutup: hooggesloten wit colbert
guna guna: toverij
roti: brood
gapura: versierde poort
bung: kameraad
sateh kambing: stukjes geroosterd geitenvlees aan een stokje
soto ayam: maaltijd kippensoep met gebakken uitjes, glasvermicelli en gekookte ei
nasi campur: rijst met een aantal gerechten uit de streek
gedek: gevlochten bamboe

Volgende week deel zeven.









dangdude03
User
User icon of dangdude03
spacer line
 

7. Kaarten schrijven in Pacitan.

Herman had me weten te overtuigen dat ik het beste naar Solo kon afreizen, omdat het van daaruit makkelijker naar Sarangan reizen was, zoals ik ook zelf al had uitgezocht. Het werd een vermoeiende tocht van zes uren reizen en omdat ik onderweg niet mijn Indonesia Handbook kon raadplegen (die zat in mijn grote rugzak en was in de kofferbak van de bus opgeborgen), wist ik geen naam van een hotel te noemen waar ik heen wilde toen de bijrijder van de bus me er in Solo aangekomen naar vroeg. Het was 7 uur in de avond en dus donker toen ik daar bij de bisterminal uitstapte, en de becakrijders bij wie ik naar een redelijk hotel informeerde, waren nerveus en verlegen waardoor ze met een mond vol tanden stonden. Daarom stak ik er de weg over naar een taxistandplaats waar één van de chauffeurs de ‘Solo Inn’ opperde. Ik herkende de brede boulevard waaraan dit luxe hotel was gelegen nog van een eerder bezoek aan de stad waarbij ik het enorme Chinese ‘Diamond Restaurant’ had bezocht. De volgende ochtend, na het uitgebreide ‘continental breakfast’, liet ik een taxi komen om me naar de bisterminal te brengen, maar de chauffeur bood aan me voor een schappelijke prijs naar Serangan te rijden omdat het volgens hem een hoop gedoe zou zijn met ganti bis, overstappen in Tawangmangu. Ik hapte toe en zo reden we even later naar boven, het Lawu gebergte in. De aanvankelijk prachtige vergezichten gingen al gauw verborgen achter dichte mistslierten en dikke wolken, en zo was opnieuw het slechte weer een spelbreker tijdens deze vakantie. Halverwege de rit stopte de chauffeur om me de gelegenheid te geven foto’s te maken van een vreemd standbeeld in een park, waarvan ik eerst dacht dat het heel oud was, maar dichterbij gekomen zag ik dat het fake, dat wil zeggen nieuw nagemaakte oude stijl was. Nadat ik me bij aankomst in Sarangan in het (dure) Telaga Mas Internasional Hotel had laten inschrijven wandelde ik rond het kleine kratermeer dat er sprookjesachtig bij lag in de vallei van Gunung Lawu, dat Sarangan eigenlijk is en keek naar de mannen die daar met handlijnen aan het vissen waren. Het viel me al gauw op dat ze kleine barbeelachtige visjes vingen en nadat ik hen mijn grote karperfoto’s uit Holland had laten zien, vertelden ze me ze dat die daar niet zaten, zodat ik mijn plannen om daar een tijdje te hengelen maar uit mijn hoofd zette. Later liep ik naar een minibusstandplaats waar ik informeerde naar tochten in de omgeving, maar omdat het zwaar bewolkt weer was zou er van de fraaie vergezichten niet veel te zien zijn en de enige andere bezienswaardigheid, een tempel met de naam Sukuh, was te ver weg voor uit en terug op één dag en zou te veel gaan kosten. Wel sprak ik met een chauffeur af dat hij me de volgende dag bij het hotel zou ophalen om me voor een redelijk bedrag naar Madiun te brengen. Ik had die dag mijn vuile was naar de laundry service van mijn hotel gebracht en kreeg die aan het eind van de middag weer terug. Natuurlijk was, zoals ik al verwacht had, mijn spijkerbroek nog niet geheel droog, al had de dienstdoende kamerjongen hem zo goed mogelijk ‘droog’ gestreken, zodat ik ‘m zelf nog maar te drogen heb gehangen. Diezelfde kamerjongen wist me in slecht Engels te vertellen dat de taxichauffeur uit Solo had gebeld en had aangeboden me voor het equivalent van een maandloon naar Pacitan te rijden. Die moet gedacht hebben dat als die gestoorde bule zo gek was zijn intrek te nemen in dat veel te dure hotel, hij vast ook wel te strikken zou zijn geweest voor dit belachelijke aanbod. Ik ben er uiteraard niet op ingegaan. Die avond sprak ik met de eigenaar van een rumah makan waar ik mijn avondmaal gebruikte. Deze ondernemer van Chinese oorsprong vertelde me dat hij regelmatig familie uit Rotterdam en Purmerend op bezoek kreeg, maar ook dat hij de weg naar Pacitan levensgevaarlijk vond omdat deze meanderende, bergachtige weg smal was, vol gaten zat en bovendien, zeker bij nat weer, zeer glad kon zijn. Dat was niet bepaald een plezierig vooruitzicht en ik overwoog dan ook serieus die plaats links te laten liggen. Zo zat ik ’s avonds in mijn hotelkamer op mijn kaart van Java en in de gids te kijken en maakte een lijstje van mogelijke plaatsen die ik op mijn trip nog aan kon doen: Ponorogo, Tegalombo, Pacitan, Trenggalek, Tolungagung, Kederi, Kertosono en Mojokerto. Omdat dit voornamelijk bergplaatsen zijn, zou het van het weertype afhangen of ik ze allemaal zou aan doen; ik zou wel zien.
Omdat het veel te dure hotel waar ik verbleef geen enkele moeite deed om het me naar de zin te maken was ik de volgende ochtend behoorlijk ontstemd naar de receptie gestapt met de volgende klachten: ten eerste vond ik de bediening ronduit slecht voor zo’n duur hotel, ten tweede waren er kakkerlakken in de vieze kamar mandi, ten derde was er geen warm water geweest die ochtend, ten vierde was de afgeleverde laundry niet droog geweest en als laatste was mijn ontbijt niet zoals afgesproken gebracht, maar moest ik er een uur na het afgesproken tijdstip om gaan vragen. Deze klachten noemde ik in het bahasa Indonesia aan de dienstdoende nyonya besar die me daarop vuil aankeek, waarschijnlijk ook omdat ik de helft van de reeds eerder betaalde kamerhuur terugvroeg. De bitch zei zoiets van dat ze niet bij het geld kon komen, alsof men de situatie al had zien aankomen en ik nam me voor om voortaan op mijn hoede te zijn als er vooraf om de kamerhuur gevraagd zou worden.
De minibuschauffeur kwam wel mooi op tijd en ik had moeite om mijn slechte humeur van die ochtend voor hem te verbergen. Hij bracht me zonder moeilijkheden naar het degelijke Merdeka Hotel in Madiun, en nog steeds op mijn hoede wilde ik eerst de kamer zien voordat ik instemde. Ik keek vooral goed in hoeken en kieren of er geen ‘vuile nesten’ zaten en vroeg de kamerjongen of er kacoa waren, waarop deze met tidak ada ontkennend antwoordde. Op zijn beurt vroeg hij of ik nona of anders tukang pijit op mijn kamer wenste, waarop ik tidak usa antwoordde. Nadat ik me had opgefrist hield ik voor het hotel een becak aan en ging daarmee naar het postkantoor voor postzegels en daarna naar een B.C.A. bank om geld te pinnen. Bij de bisterminal kreeg ik te horen dat de bus naar Pacitan de volgende ochtend reeds om 5 uur zou vertrekken en dat er twee maal overgestapt moest gaan worden. Omdat ik niet zeker wist of ik deze in het bahasa Indonesia gegeven antwoorden goed verstaan had, vroeg ik de becakrijder die er al de tijd bij was geweest mee te gaan naar de receptie van mijn hotel zodat men daar kon verifiëren of ik het allemaal goed begrepen had. Maar ook zij konden er niets anders van maken dan dat het de volgende dag een vroegertje zou worden en met een bezweet hoofd sprak ik met de becakrijder af om me om half vijf de volgende dag op te pikken. Ik stond al in de lift van het hotel toen hij me enigszins wanhopig nariep. Nadat ik met ada apa vroeg wat er was, bleek dat ik in alle verwarring vergeten was met hem af te rekenen.
Ik had me aanvankelijk voorgenomen deze dag verder te besteden aan het schrijven van ansichtkaarten en e-mailen, maar dat moest bij nader inzien maar in Pacitan gebeuren, de volgende dag. Wat me steeds meer opviel was dat vooral mannen, met wie ik een gesprekje had, me bijna overdreven waarschuwden voorzichtig te zijn. Die dag ook. Ik wou net in een becak stappen toen een oudere man me aansprak. Waar ik vandaan kwam en waar ik naar toe ging, (zoals gewoonlijk) maar vooral dat ik toch beter op Bali had kunnen blijven en dat ik goed moest oppassen om niet beroofd te worden. Ik werd wat ongedurig omdat hij mijn becakrijder totaal negeerde (die in de brandende zon zijn voorhoofd met een zakdoek wiste), en dat zei ik hem ook. Ik proefde duidelijk iets van discriminatie tegenover een in zijn ogen minderwaardig iemand als een becakrijder. Zo ook bij de receptie van het hotel die dag. Ze keken daar wat vies naar die arme sloeber van een fietstaxichauffeur. Die neem je toch niet mee naar de balie van een hotel?
Om half vijf de volgende dag stonden er drie becakrijders en een taxichauffeur voor het hotel klaar om me naar de bis terminal te brengen en ik koos de becakman uit met wie ik de vorige dag had afgesproken. Om vijf voor vijf zat ik in de bus en die reed meteen weg, vijf minuten te vroeg dus. Ik had de controleur een briefje van Rp.5000 gegeven, maar kreeg geen wisselgeld terug. Ik had uit de informatie van de vorige dag begrepen dat de eerste rit van Madiun tot Ponorogo Rp.2500 zou gaan kosten, dus trok ik die geldophaler later aan zijn mouw en vroeg hem naar de ritprijs. Toen moest hij me wel de helft teruggeven terwijl hij gezichtsverlies leed tegenover de rest van de passagiers, wat hij natuurlijk niet leuk vond en vervolgens op mij ging afreageren. Hij vroeg spottend lachend wat ik daar als westerling deed en maakte grapjes (waarschijnlijk in het Javaans) waar ik niets van begreep. Ik zei ‘m dat mijn bahasa Indonesia niet goed genoeg was om ‘m te verstaan en gebruikte het woord harap voor ‘gelieve’ langzaam te spreken. Daarop vroeg hij of ik soms Arabisch sprak, treiteren dus. Een medepassagier nam het voor me op en begon in gebrekkig Engels een gesprek met me. Gelukkig moest er snel overgestapt worden in Ponorogo en de tweede helft van de rit ging wat dat betreft wat beter. Wel ging de weg behoorlijk meanderend naar boven en hier moest ik denken aan de Chinees in Serangan die me had gewaarschuwd voor deze weg. Er waren diepe ravijnen en smalle bochtige wegen die bij regenachtig weer glad konden zijn, maar het was gelukkig droog en tegen half tien bereikten we heelhuids Pacitan. Een jongen van een jaar of zestien reed me in een becak naar het Happy Bay Beach Hotel, waarvan de aanblik mij beslist niet happy maakte en naar mijn idee de aanduiding hotel niet waardig was, zodat ik de becakjongen maar opdracht gaf om naar het Bali Queen te rijden, een niet aan de beach gelegen hotel. Daar aangekomen verwees men mij bij de receptie, zonder dat ik wat had gevraagd, door naar het ernaast gelegen Hotel Srikandi. Daar waren wel enige redelijke appartementen beschikbaar, maar op mijn vraag of ik misschien ergens toeristische informatie kon krijgen of een rondrit in de omgeving kon maken stuurde de heer des huizes me van het kastje naar de muur. Ik had het op dat moment al gezien; er was daar niets te beleven en had sowieso spijt dat ik de hele trip ondernomen had en wou weer zo snel mogelijk weg. De rest van de dag vulde ik zoals gepland met het schrijven van ansichtkaarten die ik daarna met de becak naar het (gesloten) kantor pos bracht en de becak zelf bestelde ik maar alvast voor de volgende ochtend half zeven. Toen ik ’s avonds in het restaurant van Srikandi ging eten schoof de bedienende nyonya mij het gastenboek onder de neus met de bedoeling om er iets in te schrijven, en met het doorlezen van de opmerkingen van mijn voorgangers (waarvan veel in het Nederlands) begon ik aan mezelf te twijfelen. Het waren bijna allemaal positieve berichten van mensen die daar lekker hadden uitgerust en ontspannen hadden gegeten in een rustige atmosfeer. Ook in mijn Bill Dalton gids stond over Pacitan geschreven : ‘Bring good books, snacks and a lover – the place is all your own’, en dat laatste zal wel mijn probleem geweest zijn. Een goed boek had ik wel, maar dat wou ik eigenlijk niet aanraken vóór de terugvlucht. Maar nood breekt wet en die avond ging ik maar vroeg naar bed met ‘Javaanse Brieven’ van Kees Ruys.
Ik moest de volgende dag naar de jalan lopen om een becak te regelen, want de bestelde driewieler van de vorige dag was niet op komen dagen. En toen ik om tien voor zeven in de bus stapte reed deze meteen weg. Ik moest zonder ontbijt weer die slingerende weg terug naar Ponorogo en moest onderweg alles en iedereen ophouden om te plassen daar ik alleen thee had gedronken. De bus kreeg kuren en iedereen moest vóór Ponorogo overstappen in een vervangende bus. In Ponorogo weer overstappen en daarna in Trenggalek opnieuw, alwaar ik eindelijk bij een busventer wat zoete roti en tahu goreng kon kopen (als je die lui echt nodig hebt zie je ze niet).
In Kederi kreeg ik het aan de stok met de hotelmanager van Hotel Merdeka. Ik was nu extra op mijn hoede me geen kat in de zak te laten verkopen en ik wou de door mij gewenste moderate room eerst zien. Daar hoorde volgens de beschrijving een badkuip bij voor veertigduizend rupiah’s meer. Nou, dat bleek dus niet het geval, er was gewoon een douche en dus zag ik geen verschil met de goedkopere standaard room. Natuurlijk was ik behoorlijk vermoeid na die slopende rit en misschien daardoor wat prikkelbaar, maar ik wilde me niet meer laten afzetten, dat had ik me na Sarangan voorgenomen. Het werd dus na een felle woordenwisseling een standaard room die er overigens niet al te knap uitzag. Een televisie was er wel en daardoor was ik live getuige van de beëdiging van Megawati Sukarnoputri als de eerste vrouwelijke president van Indonesië. Dat het rommelde binnen de Indonesische politiek had ik de voorgaande dagen al gemerkt doordat er urenlange debatten vanuit het parlement op de televisie werden uitgezonden, maar dat Abdurrahman Wahid naar huis gestuurd zou gaan worden, dat had ik niet verwacht, en nu vroeg ik me af of dit geen hordes demonstranten op de been zou brengen die bepaalde delen van (Oost) Java onveilig zouden gaan maken. Misschien dat ik daardoor behoefte kreeg om met het thuisfront te e-mailen waartoe ik even later het hotel uitliep op zoek naar een WRemoved to prevent your adress from being spammed. Click this to go to the user profile.rnet. De eerste gelegenheid bood geen contact via hotmail en bij een andere ontmoette ik een behulpzame jongeman met de naam Waris, die het een en ander voor mij vertaalde aan de helpende mailboy aldaar die op zijn beurt weer niet goed in zijn Engels was. Nu rolde daar een bericht uit de computer van Hollandse oorsprong waaruit bleek dat ik inmiddels heel wat gemist had; de dood van rockzanger Herman Brood, de vijf minuten voorsprong van Lance Armstrong in de Tour de France, en het plotselinge huwelijk van mijn vriend Paul. Als tegenprestatie trakteerde ik Waris op een nasi goreng en al babbelend raadde hij me aan het Hotel Merdeka te verruilen voor het Safari Indah Hotel, en hij kon het weten, want hij had voor een bepaalde tijd bij het Merdeka als roomboy gewerkt! Hij had het er door het daar heersende wanbeleid niet meer aan kunnen zien en daarom ontslag genomen. Ook wist hij me te vertellen dat er in de Skydisc Discothecue, beneden in het hotel, regelmatig (luidruchtige) dansavonden werden georganiseerd, en inderdaad kreeg ik daarvoor bij terugkomst in het hotel een uitnodiging, waarbij ik ook een gast mocht introduceren. Gelukkig was ik die avond te moe om door het opdringerige discogeweld uit mijn slaap gehouden te worden.
De volgende ochtend nam ik een becak om naar het Safari Indah Hotel te gaan kijken, maar het beviel me toch niet. Het was veel duurder dan het Merdeka en het was naar mijn smaak te ver verwijderd van de drukke hoofdstraat, dus vond ik het verkassen geen zin hebben. Om 12.00 uur kwam Waris me met zijn brommer ophalen om naar het internetcafé te gaan voor het verzenden van een paar e-mails en na afloop bracht hij me naar zijn bescheiden woning, waar ik zijn vrouw en drie kinderen ontmoette, waarvan de jongste een meisje van amper negen maanden oud was. Hij had het eenvoudige optrekje met krediet gekocht en moest nog vijf jaar elke maand Rp.80.000 aflossen. Nadat we onze thee hadden gedronken reed ik achterop zijn brommer naar het postkantoor voor de laatste ansichtkaarten en sprak met Waris af elkaar de volgende dag nog te bellen. Eigenlijk had ik het in Kederi alweer gezien: de e-mails en de post waren de deur uit en voor de bezienswaardigheden, zoals de katholieke kerk en de rietsuikerfabriek wou ik niet al te lang blijven hangen, dus ging ik alvast bij stasiun kereta api informeren en besloot uiteindelijk de trein van 10.30 uur de volgende dag naar Mojokerto te nemen.
Het ontbijt in het Merdeka bestond de volgende morgen uit nasi rawon, iets wat ik nog niet eerder geproefd had, bestaande uit taaie brokken rundvlees gestoofd met niet goed ontkiemde taugé, opgediend met witte rijst; voor het eerst deze reis dat ik moeite had een gerecht door mijn keel te krijgen. Waris kwam op mijn kamer langs voor een afscheidsbabbel en raadde Mojokerto af. Het enige fatsoenlijke hotel aldaar zou te ver van het centrum gelegen zijn en dus zou het verstandiger zijn meteen naar Surabaya door te reizen en van daaruit trips in de omgeving te ondernemen. We namen afscheid terwijl ik uitcheckte aan de balie en daarna wierp ik mijn rugzak in een becak en reed naar het station. Het werd een gezellige rit naar Surabaya, hoewel het bloedwarm in de bomvolle trein was. Een jonge vrouw die ook naar die grote stad reisde sprak me aan en ik trakteerde haar op een blikje fris. Ze stelde me voor aan een jonge Chinees die op de hotelschool studeerde en roomboy wou worden. Ik vroeg hem of hij Hotel Brantas kende, omdat ik daarvan wist dat het budget was, waarna hij me er op wees dat dit onderkomen niet over sterren beschikte. Terwijl ik mijn fotoboekje aan mijn nieuwsgierige medepassagiers liet zien liepen venters met hun koopwaren aan een stuk door het gangpad waarbij ze hun waren aanprijsden met: tahu, tahu, tahu, kacang, kacang, kacang, minum, minum, minum, enam, enam, enam. En het was rijkelijk zweten geblazen, en niet alleen voor mij. Bij aankomst in Surabaya liet ik me bij gebrek aan alternatief maar naar dat hotel zonder sterren rijden en kwam daar tot de conclusie dat er sinds mijn bezoek in 1997 vrijwel niets veranderd was. Na eerst een superior room te hebben bekeken die ik behoorlijk vies vond koos ik uiteindelijk voor een exclusive room, met (zoals ik later ontdekte) zwermen muggen en een heel leger kakkerlakken in de badkamer. Ik nam me voor om de volgende dag naar een touroperator uit te zien voor mogelijke uitstapjes in de omgeving, want het was zaak een doel te houden in deze chaotische stad.

Woordenlijst

ganti bis: overstappen
nyonya besar: mevrouw de baas
kacoa: kakkerlak
tidak ada: is/zijn er niet
tukang pijit: masseur
tidak usa: niet nodig
ada apa: wat is er?
bis terminal: busstation
harap: gelieve, moge
kantor pos: postkantoor
jalan: straat, weg, lopen(d)
tahu goreng: gebakken sojakoek
warnet: internetcafé
stasiun kareta api: treinstation
nasi rawon: rijst met gekruid rundvlees
kacang: hier: pinda’s, ook boon
minum: drinken
enam: zes

Volgende week deel acht.



dangdude03
User
User icon of dangdude03
spacer line
 

8. Terug op Bali.

Na een ontbijt van twee sneetjes wittebrood met jam en hagelslag ben ik de volgende ochtend met een taxi naar tourorganisatie Kapasan Oriental Express, gelegen in een buitenwijk van Surabaya, gereden. De enige nona daar die wat Engels sprak vertelde me dat het bureau eigenlijk alleen uitstapjes naar Bali en China verzorgde, maar na wat getelefoneer kon ze toch via een ander bureau een dagtrip naar Mojokerto en Trowulan voor me regelen. De weg terug naar het hotel was een heel getob. Ik kon nergens een taxi vinden terwijl er van alle kanten becaks op me af kwamen, die ik ervan probeerde te verzekeren dat mijn bestemming te ver voor hun was. Eén van die fietstaxiberijders was kennelijk van het aanhoudende soort, want hij wist me te overtuigen dat hij Hotel Brantas wist te vinden. ‘In de buurt van de Rode Brug?’ Toen deze me na een lange fietstocht liet uitstappen was er geen Rode Brug of Hotel Brantas te zien, maar bapak wou wel fors afrekenen. Ik had de fout gemaakt om van te voren geen prijs af te spreken en beschikte bovendien alleen over groot geld. Temidden van een groepje collega’s voelde meneer zich onkwetsbaar, zodat ik mijn biljet van twintigduizend rupiah’s moest afstaan en naar mijn wisselgeld kon fluiten. Ik nam me voor geen becak meer te nemen als ik niet voldoende kleingeld op zak had. Maar ik was op onbekend terrein en kon de weg alleen niet vinden, dus maar opnieuw een becak aangehouden. Ditmaal had ik van te voren Rp.7000 afgesproken, maar toen ik voor mijn hotel werd afgezet wou meneer ineens Rp.10.000. Echter, nu voelde ik me met mijn hotel in de buurt onkwetsbaar en wat de man op zijn driewieler ook zeurde, ik bleef bij het afgesproken bedrag. Na de lunch weer zo iets: ik wou het Tourist Info kantoor bezoeken om naar de vertrektijden van de trein te informeren en noemde de straat waar dit gebouw moest zijn aan een vriendelijk uitziende becakrijder. Nu had ik wél voor voldoende kleingeld gezorgd en had duidelijk een prijs afgesproken. Maar nadat deze tukang becak een tijdje gesepeda’t had vond meneer het kennelijk opeens genoeg en plantte me zomaar langs een drukke straatweg met in geen velden of wegen het Tourist Info kantoor te bekennen. Natuurlijk wou hij wel zijn geld en met overal collega’s om zich heen kon ik het alweer schudden. Nog éénmaal probeerde ik het bij een ander, maar deze stond na mijn verzoek wat te dralen en maten van hem te raadplegen. Ik gaf het maar op. Bij het hotel teruggekomen vroeg ik hoe het zat. De receptionist aan de balie hielp me uit deze nachtmerrie door te vertellen dat de becakrijders in Surabaya een bepaald district hebben waar ze wel en waar ze niet mogen komen (hoe kon ik dat nou ruiken?) en wist bovendien de vertrektijden van de trein, hoe die heette (K.A.Mutaria Timur) en de plaats van vertrek (Gubeng) te noemen als ik naar Banyuwangi wou.
Na slechts een dag in het drukke en zeer warme Surabaya te hebben vertoefd was ik het eigenlijk al behoorlijk zat en het verblijf in dat muskietenhotel maakte mijn stemming er niet beter op. De receptie vroeg aanvankelijk of ik mijn paspoort in wilde leveren, waar ik met grote tegenzin aan voldeed, maar zodra ik de deur uit moest om te gaan eten vroeg ik ‘m terug, om ‘m niet meer terug te geven, wat de receptionist gelaten aanvaardde.
Zoals afgesproken werd ik de dag erna door ene Mr. Aris van Oriental Tours met zijn chauffeur bij mijn hotel afgehaald. Hij was een man van een jaar of veertig met vettig halflang haar en een gebloemd hawaïshirt aan. Zijn Engels was in ieder geval goed, zodat we gezellig aan de praat raakten. We hadden het over de huidige situatie in Indonesië, de crisis en hij vroeg me of ik wel eens bang was zo in mijn eentje. ‘Waarvoor ?’, vroeg ik hem, ‘voor nyamuk en kacoa? ja!’ Ik vertelde hem over die eerste avond, hoe ik mij installeerde in het koloniale Brantas Hotel. Nadat ik mezelf na aankomst had opgefrist was ik op bed even weggedoezeld en bemerkte bij het ontwaken dat mijn bovenlip jeukte en enorm opgezwollen was door een muskietenbeet. Het suffige insect had ik daarna aangetroffen op de sloop van mijn kussen, want met het platslaan van deze kwelgeest was een bloedvlek ontstaan ter grootte van een ouderwets kwartje. Daarna had ik mijn klamboe tevoorschijn gehaald met de bedoeling die te installeren voor de komende nacht, maar dat gaf de nodige problemen. De kamer was namelijk vrij hoog en om een haakje met schroefdraad in het plafond te bevestigen moest ik een rechte stoel boven op het verende bed plaatsen en op mijn tenen wiebelend en balancerend dit karweitje zien te klaren. Dat het allemaal niet voor niets was merkte ik in het holst van de tweede nacht van mijn verblijf toen ik – aan de buitenkant van de klamboe – een kakkerlak zag lopen van zeker tien centimeter groot. Ik had de donkerbruine griezel een mep verkocht vanuit de binnenkant van mijn muskietennet, waarna ik een duidelijk ‘plop’ hoorde vanuit een hoek van de kamer, maar ik durfde niet meer mijn bed uit om het toilet te bezoeken, wat uiteindelijk de reden was waarom ik wakker was geworden. Om dit verhaal moest Mr. Aris smakelijk lachen en deed dit ongemak af met de opmerking dat Brantas een oud koloniaal pand was dat nodig aan renovatie toe was.
Intussen waren we Surabaya uitgereden en een half uurtje later kwamen we bij het stadje Mojokerto aan, waar we de tempel Candi Waringin Lawang bezochten. Deze bestond uit twee verticale muren van rode bakstenen die zo een gapura poort vormden. Er was op dat moment een selamatan aan de gang, een offerfeest waarbij een aandoenlijk tienjarig jongetje met een zwarte peci werd ingewijd tot moslim. Er werd tussen die twee antieke muren een feestmaal neergezet door zijn familieleden, alles netjes gerangschikt op bananenbladeren waartussen geurige stokjes wierook werden gebrand. Hierna reden we naar het dorpje Dinuk bij Trowulan, waar Candi Tikus – de Rattentempel stond. Dit bouwwerk uit de 12e – 13e eeuw, gemaakt van bakstenen was eigenlijk een badplaats, maar wordt door de plaatselijke bevolking rattentempel genoemd vanwege de vele ratten/muizennesten die er werden aangetroffen bij de opgravingen in 1914. Op het terrein rond dit imposante bouwwerk groeiden oude kamboja bomen en fruitbomen die meloenachtige vruchten droegen. Het Majapahit rijk was ernaar vernoemd omdat deze oneetbare producten zo bitter (pahit) smaken. Niet ver daarvandaan bezochten we Candi Bajangratu, een tempel in het dorp Temon. Het woord bajang komt van dwerg of klein, afgeleid van ‘Pabajangan’, hetgeen kindergraf betekent. Waarschijnlijk sloeg de naam op Koning Jayanegara die hier gekroond werd toen hij nog ‘bajang’ was. De poort van Bajangratu functioneerde als ingang voor het heilige gebouw dat was gebouwd als herinnering aan de dood van Jayanegara, die in 1328 terugkeerde naar de wereld van Wisnu. Het complex werd in 1993 gerestaureerd.
In Museum Purbakala bewonderden we daarna de vele oudheidkundige vondsten die in dit gebied waren aangetroffen en ik besefte dat mijn kennis betreffende de Mataram - en de Majapahit periode ontoereikend was om alles te kunnen bevatten. Zo vertelde Mr. Aris dat het Majapahitrijk zich destijds uitstrekte van Indonesië, Malakka en de Philippijnenen tot aan Madagaskar en dat er zelfs in die tijd tegen Kublakahn werd gevochten.
Op de terugweg bij het binnenrijden van Surabaya vroeg ik het duo of ze me bij het grote winkelcentrum af wilden zetten zodat ik nog wat kon shoppen en rondkijken, waarna ik bij het eronder gelegen station Gubeng nog even naar de vertrektijd informeerde van de trein naar Banyuwangi de volgende ochtend. Dat was maar goed ook, want die vertok een uur eerder dan ik uit de informatie van het hotel had opgemaakt. Daarna dacht ik mijn weg naar het hotel terug te vinden door langs de Kalimas rivier naar het noorden te lopen, maar dat pakte anders uit. Het was inmiddels al donker aan het worden toen ik het vertrouwen in mijn eigen gekozen route begon te verliezen, want geen Rode Brug of iets wat me enigszins bekend zou kunnen voorkomen gaf me het idee dat ik goed liep. Ditmaal hielp een enthousiaste becakrijder me uit de brand door me, voor mijn gevoel, de verkeerde kant heen te brengen, maar om uiteindelijk tegen mijn verwachting in bij de Jl. Kayoon uit te komen. Daar liet ik mijn tukang becak stoppen om langs deze gezellige kade aan de Kalimas één van de vele eetstalletjes te bezoeken. Het eten daar is altijd goedkoop en smakelijk en er wordt zelfs nasi merah geserveerd, wat bij ons thuis dus gewoon zilvervliesrijst heet.
Terwijl ik daar tussen de verliefde stelletjes mijn nasi bebek zat weg te lepelen moest ik onwillekeurig denken aan wat de dag van morgen zou brengen. Dan zou ik met de K.A.Mutaria Timur / Siang trein naar Banyuwangi reizen, maar of ik daar mijn aanvankelijk geplande tour zou gaan maken wist ik nog niet. Mr.Aris had me er heel wat over verteld en dat had me er niet enthousiaster op gemaakt. Vooral omdat het zo ingewikkeld leek, zoals: jeeps huren in dat afgelegen oord, eten en drinken meenemen, warme kleding, afzien, vroeg op, slechte hotels en dat alles om misschien een paar banteng in het wild te zien. Eigenlijk had ik voor mijn gevoel al genoeg afgezien door het reizen van hot naar her en had ik wel zin om het wat rustiger en vooral wat comfortabeler aan te gaan doen in die laatste week van mijn vakantie. Doorreizen naar Bali dus en daar zou ik wel verder zien. Tevreden met deze beslissing rekende ik mijn gerecht af en wandelde op mijn gemak door de zwoele avondlucht terug naar mijn hotel.
Toen ik de volgende ochtend in station Gubeng op mijn trein zat te wachten sprak een jongen die net van Bali terug kwam mij aan met de vraag waar ik naartoe wilde. Naar Candidasa? Dan kon ik volgens hem beter naar het Bratanmeer gaan, bij het plaatsje Bedugal in het binnenland van Bali. Een rustige locatie in het Caturgebergte waar zich goedkope hotels bevinden en geen toeristische drukte heerst. Ik had die plek thuis in Holland al bladerend in mijn Indonesia Handbook al eens aangestipt, ook als een mogelijkheid om er te vissen. Ik bedankte de jongen voor de tip en zocht daarna mijn plaats in de K.A.Mutaria Timur die zojuist was binnengereden. De eksekutif kelas van dit treinstel werd overdreven koud gestookt, zodat de venters met kussens en dekens goede zaken deden en ook was er de mogelijkheid om een nasi rames of bistik te bestellen bij het druk heen en weer lopende horecapersoneel. Het werd een mooie rit langs schone vergezichten, vooral na het bergachtige Jember. Bij Banyuwangi aangekomen stapten de meeste passagiers over in de gereedstaande bus naar Denpasar, zodat ik hun voorbeeld maar volgde. Terwijl de bus de veerpont opreed raakte ik op de achterbank in gesprek met een jongeman die samen met een groep van acht mensen (zeven jongedames en een jongeman) van Jakarta naar Bali onderweg was om voor het eerst in hun leven van twee weken vakantie te gaan genieten. Om de tijd te doden vertelde ik Jim over mijn belevenissen van deze vakantie, liet ik mijn foto’s de groep passeren en hadden we het over de politieke ontwikkelingen in Indonesië van dat moment. Door de gezellige sfeer die zo ontstond opperde Jim het idee om met zijn allen in Denpasar een goedkoop overnachtingadres te zoeken, wat geen eenvoudige opgave zou zijn.
Bij de bisterminal in Denpasar liet ik Jim maar onderhandelen met de chauffeur van een minibus en enige tijd later zaten we erin met z’n elven! Maar voor ik er erg in had reden we al door de straten van Kuta, de plek die ik bijna drie weken eerder zo wanhopig ontvlucht was. En dan vond Jim het gek dat de appartementen die we aandeden op onze zoektocht zo overdreven duur waren. Na een hele reeks van adressen vonden we uiteindelijk een losmen met drie kamers naast elkaar die elk rond de Rp.70.000 moesten kosten, wat voor Kutanese begrippen zeer goedkoop genoemd mag worden. Het waren kale hokken met enkel een koude kraan, een bed en een fan. Met het regelmatig heen en weer geloop van Jim en zijn vrienden wemelde het na een tijdje in de kamer van de muskieten, en omdat er in het kale vertrek geen mogelijkheid was iets aan de muur of het plafond te bevestigen zou ik de nacht moeten doorbrengen zonder de bescherming van een klamboe. Nadat we ons wat hadden opgefrist liepen we enige tijd later gezamenlijk door de drukke straten van Kuta waar we uiteindelijk een Padang restaurant binnengingen omdat mijn nieuwe vrienden graag halal wilden eten. Zo zaten we met zijn tienen aan gelamineerde tafelbladen van deze Sumatraanse dis te genieten terwijl een Australische toerist op mijn verzoek ons gezelschap portretteerde. Onder het eten maakte ik de groep overigens wel duidelijk dat dit alles niet mijn voorkeur genoot en dat ik de volgende dag uit deze commerciële disco sfeer weg wou. Zoals ik al had gevreesd kwam er van slapen die nacht niet veel en ondanks de op hoge snelheid draaiende fan werd ik opgevreten door de muskieten, zodat ik het rond 5 uur in de vroege ochtend zat was en mijn rugzak weer inpakte, mijn deel van de overnachtingkosten afrekende en afscheid nam van een slaperige Jim (die overigens niets van die zoemende ettertjes had gemerkt). Een bestelde taxi kwam snel voorrijden en die bracht me in het donkere Kuta naar de bisterminal. De rit naar het meer van Bratan was echt betoverend met een gouden zonsopgang in het bergachtige binnenland, maar ik kreeg toch al snel bange vermoedens met mijn recente ervaring in Pacitan in het achterhoofd dat het er wel eens te rustig zou kunnen zijn. Er leek niets anders te zijn dan natuurschoon en daarvan alleen kan een mens niet leven, dus besloot ik aangekomen bij het plaatsje Bedugal weer een andere minibus te nemen met bestemming Ubud. Bij nader inzien was dat geen slechte beslissing ; ik was wel toe aan wat ontspanning, en die vond ik daar dan ook bij Artini 1 (Artini 2 vond ik te duur) op de Jl.Hanoman. Ik kreeg daar bij aankomst meteen een ontbijt met bananenpannenkoeken en fruitsalade, wat ik niet meer gegeten had sinds mijn bezoek aan Bali in 1997. Ik betrok er een bungalow in Balinese stijl op een rustige patio met kwetterende vogels in kooitjes, waaronder een fraai gekleurde Perkutut, de gelukbrengende tortelduif. Bij de manager van dit losmen huurde ik een citybike en de rest van de dag gebruikte ik om lekker tot rust te komen met wat rondkijken, e-mailen, lekker eten en wat winkeltjes kijken. Echt klimaatschieten dus.

Woordenlijst

tukang becak: fietstaxiberijder
sepeda: fiets
nyamuk: mug
selamatan: dankmaaltijd
pahit : bitter
nasi merah: zilvervliesrijst
bebek: eend
banteng: wilde buffel
eksekutif kelas: eerste klas
nasi rames: rijst met diverse gerechten
bistik: biefstuk
halal: op geoorloofde wijze bereid voedsel

Volgende week het laatste deel.








dangdude03
User
User icon of dangdude03
spacer line
 

9. Relaxen in Candidasa ( slot )

Omdat ik wel toe was aan wat beweging besloot ik een tochtje op een gehuurde fiets te maken in de omgeving van Ubud. Echter, welke kant ik ook op fietste, de weg bleef omhoog gaan en doordrenkt van het zweet besloot ik, inmiddels al ver voorbij Gianyar gekomen, om me terug te laten zakken naar Ubud. Daarna ben ik met mijn camera in de aanslag de Jalan Hanoman opgelopen om wat sfeerplaatjes te schieten. Er stond een schone Balinese dame als publiekstrekker bij een restaurant die zich gewillig liet portretteren en ik hoorde een gamelan orkest oefenen in een achteraf steegje waar ik ook enkele plaatjes schoot. Ook mijn terugvlucht moest ik nog herbevestigen en verder bracht ik mijn tijd door met souvenirs kopen en slenteren door de toeristische drukte van het plaatsje. Op straat werd ik steeds aangesproken door Balinese jongemannen met de vraag wat ik die avond deed. Als ik wou kon ik gaan kijken naar legong-, kecak- en barongdance, in speciaal voor toeristen georganiseerde gelegenheden en ik voelde me zowaar schuldig en een cultuurbarbaar omdat ik er geen zin in had om tussen al die plaatjesschietende toeristen te zitten en er dan achter te komen dat ik er zelf ook een was. Ja, ik begon me wat ontheemd te voelen die tweede dag in Ubud; ik genoot van dit gezellige plaatsje, dat wel, maar tegelijkertijd stoorde ik me vreselijk aan die kudde bule en de toeristische fuik waarin ik terecht was gekomen. Daarom besloot ik die volgende ochtend een busticket bij Wayan, de kamerjongen te bestellen met bestemming Candidasa. Na enig raadplegen van mijn Indonesia Handbook had deze rustige kustplaats me wel wat geleken om de laatste vakantiedagen in door te brengen. Voor de laatste maal trapte ik die dag mijn citybike de hellingen op die richting Bedulu en Gianyar voerden. Aan weerskanten van de weg waren voornamelijk meubelmakers en bedrijven van houtsnijwerkproducten te zien, die reusachtige houten paarden, dolfijnen, draken en nog veel meer uit enorme boomstronken fabriceerden. Ook het kleinere werk, speciaal voor de toeristenmarkt werd daar aan de lopende band afgeleverd. Zo waren er ook toko’s met op het eerste gezicht kleurrijk exotisch fruit zoals bananen, ananassen, papaya’s, manga’s, maar ook bolletjes knoflook en uien, die bij nadere beschouwing echter allemaal van gelakt hout bleken te zijn. Gigantische penissen die glommen in de zon en man en vrouw in geslachtsgemeenschap ontbraken er ook niet. Ik had al een tijdje achter een bule stel aan gereden en op zeker moment waren die afgestapt, waarschijnlijk om wat te kopen, en omdat ik ze daarna niet meer zag vermoedde ik dat ze weer waren afgedaald richting Ubud. Om even op adem te komen was ik bij een warung afgestapt om wat te drinken met het voornemen me daarna ook terug te laten zakken, toen ik ze toch weer zag passeren. Ik dacht: nog tien minuten klimmen en dan weer terug. En dat bleek de moeite waard, want daar vond ik het uitzicht dat ik al een tijdje had gezocht; van die schitterende sawaterrassen waar Bali zo beroemd om is. Maar de plaatselijke handelsvrouwen, gewapend met stapels kleurige sarongs, sprongen me er als sluipspinnen op mijn nek, blij als een kind dat een toerist zich in hun web had verstrikt. Nu had ik me toch al voorgenomen wat te kopen voor de uitzet van Paul en Fatima thuis en wat kleurig lappenwerk zouden die best wel kunnen gebruiken. Nu was het een kwestie van even afdingen en de nyonya tegen elkaar laten uitrazen, maar voor een paar tientjes had ik dan toch wat mooi Balinees textiel waarmee ik bij het verliefde stel voor de dag kon komen. Nu maar hopen dat het in de smaak zou vallen, want een bon om het spul te ruilen zat er niet bij en ik had al vernomen dat Fatima die vijftien vlieguren nooit zou willen maken om in dit gedeelte van de wereld terecht te komen. Daarna kon ik me met een tevreden gevoel af laten zakken, terug naar de toeristische pappot van Ubud. Wel liet de zon het nu afweten en voordat mijn bezwete T – shirt in de door de snelheid veroorzaakte warme wind kon opdrogen, werd deze opnieuw doordrenkt door een druilerig regentje die voor de rest van de dag zou aanhouden. Terug in Ubud besloot ik nog even door te gaan met het kopen van souvenirs, want de Jalan Hanoman is ten slotte de aangewezen plaats daarvoor met knusse kleine boetiekjes die allemaal zo ongeveer dezelfde producten aanbieden. Ik vond er twee koperen cikcak, een bamboe koker met wierrook en een klein houten olifantje, waarvan ik tijdens mijn fietstocht al een maxi uitvoering had gezien. Wat het eten betreft kun je zeggen dat er in Ubud een grote keuze aan restaurantjes in allerlei prijsklassen is, en ik had de dag ervoor in een Thais restaurant gegeten. Echt een plaats voor verliefde stellen die in het schemerdonker bij kaarslicht in een exotische tuin rustig willen genieten. Ik at er een lekkere mushroom soup met zeer aparte verse kruiden, waar ik geen hallucinaties van kreeg, en kip met cashewnoten die ik overigens bij een gewone Chinees wel eens lekkerder had gegeten. Deze laatste dag in Ubud had ik tweemaal in restaurant The Pub gegeten. Ik had er tussen de middag mijn nasi goreng als lunch gegeten en het zag er nogal chique uit met moderne Balinese kunst aan de muur en zeer beleefde in mantelpakjes geklede serveersters. ‘s Avonds werd er op een grootbeeldscherm de speelfilm ‘The Gladiator’ vertoond, terwijl ik genoot van een tahu – miso soup, gevolgd door kleine krokante spring rolls en een voortreffelijke gado gado. Naar mijn bescheiden mening vijf sterren waard. Toch zaten er zowel ’s middags als ’s avonds maar weinig klanten in de zaak en dat zal wel aan de locatie hebben gelegen die in een donkere bocht van de Jl. Hanoman was gesitueerd.
Of het aan het eten heeft gelegen weet ik niet, maar ik had een heel realistische droom die volgende nacht. Mijn ouders leefden nog en de song ‘My Love’ van Paul mc Cartney kwam er in voor. Mijn vader en ik waren het er over eens dat dit misschien wel zijn mooiste song was en van mijn moeder kreeg ik het gevoel alsof ze troost bij me zocht terwijl dit nummer op de achtergrond speelde. Het nummer bleef daarna de rest van de dag door mijn hoofd spelen en ik kreeg er om de beurt kippenvel van en tranen in mijn ogen. Ik vond dat raar omdat ik vroeger nooit zo dol was op dit smartlapachtige nummer. In die droom speelde ook mee dat ik de busticket van kamerjongen Wayan nog niet had ontvangen. Met dat gegeven was ik namelijk in slaap gevallen. Hij had me beloofd de ticket op tafel voor mijn bungalow te leggen , maar dat had hij niet gedaan. Nu vertrouwde ik de zaak wel, maar in die droom werd het een heel punt. Mijn ouders waren het met me eens dat we er werk van zouden maken als ik die vooruitbetaalde ticket niet van hem kreeg. Opeens had ook mijn werk ermee te maken en ik zou daar zelfs mijn ontslag nemen als het een en ander niet geregeld werd.
Maar die ochtend was er niets aan de hand en Wayan kwam keurig de ticket brengen waarmee ik na het ontbijt bij losmen Artini werd afgehaald. De meeste toeristen waarmee ik in de bus zat stapten in Padangbai uit en ik ging verder met twee andere stellen naar Candidasa. Daar aangekomen hield ik mijn hart alweer vast, want op het eerste gezicht beviel het me niet zo; een rij armoedige losmen langs een vrij drukke kustweg. Ketut, een jongen met lang haar en een petje sprak me aan toen ik daar uitstapte. Hij liet me een van die onderkomens zien en het leek me niets, want het stonk er muf en zag er smoezelig uit en een Engelse toerist die zijn hoofd uit het venster van zo’n kamer stak toen wij erlangs liepen, klaagde dat er weer eens geen water uit de kraan kwam. Maar Ketut nam me daarna mee naar een Hotel Restaurant met bungalows aan de andere kant van de kustweg, grenzend aan de zee, en dat beviel me meteen. ‘Pandan’ was wel twee maal zo duur als het eerste (goedkope) adres, maar hier was alles schoon, de locatie ideaal en met een restaurant om de hoek. Een aardig meisje met de naam Komang hielp me met het inchecken en wenste me een plezierig verblijf toe, terwijl ik mijn rugzak de bungalow binnenbracht. Op het bureau van het eenvoudige vertrek lag een gastenboek en daarin trof ik oprechte positieve reacties zoals van Lynda Norman, U.S.A.: ‘I have never seen quite a beautiful view. The place is wonderful! Quiet, relaxing, I will return!’ Of die van Harold en Anita uit Middelharnis: ‘Lovely place, hope to come back soon. Best thing about the room is that you can hear the waves….wow!!’ En terwijl ik deze positieve opmerkingen doorlas rook ik een heerlijke baklucht met knoflook en werd ik eraan herinnerd sinds het ontbijt niet meer gegeten te hebben. De nasi campur die ik er bij aankomst at was een van de beste deze vakantie. Het restaurant serveerde de bezoekers van ‘Pandan’ op een terras met uitzicht op de Amuk baai, waar grote rollende golven werden stukgeslagen op de daar aangebrachte betonnen golfbrekers. Na de lunch liep ik een stenen trap af die voerde naar een smalle strook strand die door eb in de middag langzaamaan wat breder werd. Al zittend op de onderste tree werd ik aangesproken door een Japanse masseur die informeerde of ik soms last van mijn gewrichten had, maar ik moest de man teleurstellen omdat ik me fitter voelde dan ooit. Daarna probeerde een Balinees mij over te halen om te gaan snorkelen vanaf zijn boot, een eindje in zee, een trektocht door de bergen te maken of een hengel uit te gooien, ook vanaf zijn boot. In dat laatste had ik wel interesse, maar de prijs die hij hiervoor vroeg, bijna een maandsalaris voor de gemiddelde Indonesiër, vond ik verdacht. Ik vertelde hem dat als ik in Nederland wilde vissen mij dat zowat niets kostte, waarop de man afdroop.
Die avond liep ik een eindje langs de kustweg op zoek naar een geschikt restaurant en werd daarbij steeds door jongemannen aangesproken: ‘you want transport mister?’ En nadat ik er een aantal had afgewimpeld begon ik me af te vragen of ik er zo wanhopig uitzag dat ik terplekke op zou willen krassen. Daarom gaf ik ze daarna maar het antwoord dat ik het hier leuk vond en me had voorgenomen een tijdje te blijven. Maar ik vroeg me wel af waarom deze lieden toch allemaal met hetzelfde aankomen om iets te verdienen. Net als met die toeristische koopwaar in de straten van Ubud: verzin toch eens iets anders. Het restaurant ‘Kalapa Mas’ was ik eigenlijk alleen maar binnengelopen omdat het er zo druk was, en ik kwam er al etende achter dat de werkelijke reden hiervoor was dat er een legong dansvoorstelling gegeven werd en het eten stukken minder van kwaliteit was dan die van ‘Pandan’. Er zat een grijs gezelschap uit de Lage Landen te eten, de heren met fototoestel en videocamera in de aanslag en toen voor het kleine podium de gordijnen opengingen klonk er een gepiep en gekreun van de stoelen en tafels die door de oudjes bliksemsnel werden verschoven zodat er maar niets van de voorstelling gemist zou worden. Ik zat er wat onwennig bij, niet meer gewend om tussen mijn landgenoten te vertoeven. Hoewel de dansvoorstelling beslist niet van de bovenste plank bleek te zijn was deze aanpak wel een commerciële zet, want het was duidelijk de drukst bezochte tent van de buurt.
Omdat er een ontbijt werd geserveerd in ‘Pandan’, bestaande uit niet meer dan toast en jam, was ik die volgende ochtend naar een kleine supermarkt aan de overkant van de kustweg gelopen om wat aanvullende etenswaren aan te schaffen zoals instant noedels, eieren en fruit, zodat ik met behulp van mijn elektrische dompelaar een miesoep met ei kon fabriceren. Deze ingrediënten kostten mij een luttel bedrag en de bereiding kon eenvoudig in mijn metalen kroes gebeuren: water erin en met dompelaar aan de kook brengen, een ei erin laten zakken en na vijf minuten het ei eruit en de mie erin. Zo had ik een steviger ontbijt en kon ik geld uitsparen, daar de vakantie ten einde liep en ik op de rupiah’s moest letten. Toch moest ik nog een keer ergens geld uit de muur zien te trekken en zoiets was in Candidasa niet mogelijk. De dichtstbijzijnde (BCA) bank was in Klungkung en nadat ik Ketut had opgezocht in het toeristeninfo kantoor langs de kustweg, maakte ik met hem een afspraak voor de volgende dag om me achter op zijn brommer daarheen te laten brengen. Op mijn vraag - berapa onkos - hoeveel dat moest gaan kosten antwoordde hij ‘is up to you’, dat vervelende nietszeggende antwoord. Maar ik mocht hem wel en ik zou er wel met hem uitkomen met een nasi goreng als lunch erbij. In de Jakarta Post van die dag werd melding gemaakt van een hevig noodweer dat het eiland Nias had geteisterd. Achtentwintig mensen hadden daarbij de dood gevonden en zo’n honderd waren nog vermist. Het epicentrum lag precies in het gebied waar ik twee jaar eerder was geweest, in het zuiden in de buurt van Telukdalam. Terwijl ik die avond op mijn terras van mijn bamboe bungalow het nieuws in de krant zat door te nemen kwam een zekere Godogan, een Balinese chauffeur langs, die mij de dag ervoor had aangesproken en naar mijn hotel had gevraagd. Dat hij echt langs zou komen had ik niet verwacht, want hij was echt een brutaal klein ventje om te zien, drie en twintig jaar naar eigen zeggen, maar achttien leek mij meer waarschijnlijk. Of hij de volgende dag een toertje met me kon maken. Ik vertelde hem over mijn afspraak met Ketut en besloot voor de dag daarna een rit in de omgeving met hem af te spreken, op zoek naar mooie vergezichten. Om zijn teleurstelling wat te temperen bood ik hem een diner aan bij warung Candi Agung, waar op dat moment ook een legong dansvoorstelling werd opgevoerd, en al etende kreeg hij weer wat meer zelfvertrouwen. Hij zou me de volgende dag nog komen opzoeken om het tourschema met mij door te nemen.
Dat Godogan een volhouder was merkte ik die volgende ochtend om tien uur, want hij kwam vragen of ik nog naar Klungkung zou gaan. Ik zat op dat moment te wachten op Ketut, maar als hij om de een of andere reden niet zou komen, kon ik altijd nog met hem daarheen gaan. Maar Ketut kwam wel, al was hij een half uur te laat. Ik kreeg een helm van hem te leen die voor een kleuter gemaakt leek te zijn en ronkend stoven we op weg. Wel drie keer moest Ketut onderweg stoppen omdat mijn te krappe helm telkens afwoei en ik daarop een stuk terug in de berm moest gaan zoeken. Weer terug in Candidasa zag ik Godogan (zijn naam betekende volgens Ketut overigens kikker) langs de kustweg staan en hij riep me vanuit de verte. Hij had niets te doen die dag, want er waren geen toeristen die transport nodig hadden. Op het strand die middag zag ik de Balinees van de boot weer. Hij had de prijs voor een uitstapje met zijn zeewaardige perahu met Rp.80.000 laten zakken. Ik zou er nog over nadenken, hoewel ik wist dat het nog steeds – voor Indonesische begrippen - om een ongekend hoog bedrag ging. Daarna volgde een handelaar in sierraden die zijn hart bij mij uitstortte over het gebrek aan de klandizie van de laatste tijd. Het was die middag drukker aan het strand, maar dat kwam eerder door het aantal handelaren die er langs kwamen, dan door de toeristen, want na de sieraden werd mijn aandacht voor het snorkelen gevraagd. Een andere Ketut kwam langs met zijn maat Komang, beide scholieren die in hun vrije tijd wat probeerden bij te verdienen. Ketut was de slimste van de twee en had wel zin om in de toekomst naar Duitsland te gaan. Hij zat op een soort toeristenschool en wou best wel die business in, maar het ontbrak hem aan beginkapitaal. Op zondag zou ik kunnen snorkelen bij pasir putih, het witte strand, een eindje verderop langs de kust.
Godogan kwam me die zaterdag zoals afgesproken om negen uur ophalen en we reden eerst naar Tenganan, een dorp waar dubbele ikat werd geweven, manden gevlochten en er waren tempels waar ik zonder sarong niet in mocht. Terwijl een gids mij daar door het met oude muren omringde dorp leidde vroeg hij mij of ik in de buurt van het rode licht district woonde, nadat ik hem had verteld dat ik een Belanda was. De volgende stop maakten we aan de voet van de heilige berg Gunung Agung bij het plaatsje Amlapura, waar we een poort passeerden die toegang verschaftte tot het Puri Agung paleis dat eind negentiende eeuw door de eerste stadhouder Anak Agung Gede Jelantik werd gebouwd. Binnen de rode bakstenen muren waren nog twee andere paleizen te bezichtigen, die ooit deel uit maakten van een van de machtigste koninkrijken van Bali. In de sfeervolle patio rondom deze paleizen lag een met waterlelies overwoekerde vijver waaromheen enkele eeuwenoude rambutanbomen stonden. Vijftien kilometer verder kwamen we bij het waterpaleis Tirtagangga (water van de Ganges), waar Godogan na de lunch een tukje in zijn minibus deed terwijl ik werd rondgeleid door een gids die mijn tienduizend rupiah’s niet genoeg vond en nog zo’n biljet eiste. Na deze culturele excursie genoot ik misschien nog wel het meest van de prachtige vergezichten over weidse rijstevelden waarin arbeiders de rijst aan het kloppen waren met op de achtergrond de oceaan waar in de verte Lombok te zien was als je goed keek.
Terug in mijn bamboe bungalow van Pandan werd ik zowat ontroerd door de manier waarop mijn kamer was opgeruimd. Het bed was van schone lakens voorzien waarbij er op het hoofdkussen bloesems van melati en kamboja waren gedrapeerd. Wel vreemd vond ik dat mijn wekker die op half zeven stond afgesteld, nu op half elf stond. Misschien een hint? Ik zat wel iedere dag als eerste in het restaurant op mijn ontbijt te wachten.
Om 9 uur de volgende dag werd ik opgehaald door Komang om te gaan snorkelen bij het witte strand. Hij reed eerst op zijn scooter naar een warung waar hij een duikbril en flippers voor me huurde. Onderweg informeerde hij of ik van gegrilde vis hield en op mijn bevestiging nodigde hij me uit om die avond bij hem thuis te komen eten en dan kennis te maken met zijn ouders en broers. Bij het strand aangekomen lag er een hele vloot marlijnvormige vlerkprauwen afgemeerd die zojuist met hun vangst waren binnengevaren. Wou ik niet alvast wat vis kopen?, vroeg Komang. In deze hitte?, vroeg ik hem. De vis zou zeker bedorven zijn tegen etenstijd die avond. Ketut (2) was niet gekomen omdat die het te druk had met de voorbereidingen voor een crematie die over twee weken zou plaatsvinden, en Komang zelf ging niet snorkelen, maar zou op mijn spullen passen onder een palmboom in de schaduw. Het snorkelen zelf ging me goed af. De laatste keer was twintig jaar geleden geweest in Tunesië. Het was werkelijk de moeite waard, want ik zag vissen in alle kleuren van de regenboog en ook inktvissen. Alleen het weer terug aan wal komen kostte me enige moeite doordat de sterke branding me telkens terug de zee in dreef. Maar eenmaal uit het water zag ik dat Komang helemaal niet op mijn spullen had gepast, maar in gesprek was met een van de aanwezige vissers. En bij de plek onder de palmboom in de schaduw aangekomen vond ik mijn handdoek en de rest van mijn spullen doorweekt van het zilte nat, overspoeld door een grote golf. Ik bedacht dat het maar goed was dat ik mijn camera en horloge in mijn bungalow had achtergelaten, iets dat zowel Komang als Ketut niet nodig hadden gevonden. Hoewel het een lust was geweest daar te snorkelen was ik meteen klaar voor die dag. Want hoe kan je nu met een gerust hart onbezorgd onder water vertoeven als je er niet op kan vertrouwen wat er op dat moment op het droge gebeurt? Daarbij moest ik ook nog een bedrag betalen aan een soort strandwacht die me een kasboek onder mijn neus schoof waarin ik geacht werd op te schrijven hoeveel rupiah’s het me waard was geweest een paar uur op het witte strand te vertoeven. Moet je eens nagaan wat iemand op het Scheveningse strand zou kunnen verdienen met zo’n boek tijdens het hoogseizoen.
Op de terugweg naar mijn hotel maakte Komang me attent op een berg waar naast een heilige Hindoestaanse tempel ook een apenkolonie te bezichtigen was. En wat het moest gaan kosten? Ja, daar het enorm ver lopen was vanaf mijn hotel, zou er weer een scooter gehuurd moeten worden en dat kwam dan op zo’n Rp.100.000. Het was jammer voor Komang, maar hiermee had hij me op een idee gebracht waaraan hijzelf niets zou verdienen. Als hij zijn snorkel trip voor mij goed zou hebben geregeld zou ik er misschien anders over gedacht hebben, maar nu had ik geen zin meer in een vervolg en die avond zou ik ook niet gaan eten bij zijn ouders.
Zo maakte ik de volgende dag een drie kwartier durende wandeling langs de kustweg in noordelijke richting en negeerde daarbij de vele toeterende minibusjes die het mij kwalijk leken te nemen dat ik wandelen verkoos boven de hun aangeboden diensten. Ik bereikte daarna de voet van de berg die aanvankelijk middels een trap van hout en steen naar boven leidde, maar na enige tijd overging in een behoorlijk steile helling. Na zo’n kwartier klimmen kwamen de eerste aapjes tevoorschijn, die naar ik meende van hetzelfde soort waren als die in Ubud (macacaqua apen) en die daar voornamelijk leefden van moerbeien. Ik had gedacht dat ze brutaal om eten zouden gaan zeuren bij het zien van een witneus, maar ze reageerden nauwelijks op mijn aanwezigheid. Op de top aangekomen waren Hindoe – beelden te zien die met zwart – wit geblokte doeken waren omwikkeld en er was een gapura poort die toegang bood tot een soort hofje, waar zo te zien eeuwenoude bouwwerken stonden die als tempel dienst deden. Ik kon goed begrijpen dat deze plek, die een adembenemend uitzicht verschafte over de oceaan en de rest van de omgeving, iets magisch of heiligs bevatte. Oeroude kambojabomen omlijstten er een aantal tempels of pondok, en aan het overvloedig achtergelaten afval zoals lege plastic agua – flessen, pindazakjes en snoeppapiertjes was af te leiden dat deze plek veelvuldig bezocht werd door toeristen.
Weer op de terugweg naar Candidasa werd ik natuurlijk weer aangesproken, ook ditmaal door de eigenaar van een vervoermiddel die mij zijn diensten aanbood. Nu was ik wel benieuwd naar zijn ritprijs richting het vliegveld, daar ik over twee dagen die kant op moest. Ik wist al ongeveer wat de normale prijs daarvoor moest zijn en deze chauffeur zat er duidelijk ruim onder met zijn aanbod. Nadat ik zijn naam en telefoonnummer had genoteerd zag ik een kwartier later Godogan langs de weg staan.
‘En mister Jan, woensdag ja?’, sprak hij me aan, doelende op mijn aanstaande vertrek. ‘Ja, woensdag, en de prijs?’, informeerde ik. ‘Eh, honderdvijftig?’, probeerde hij. Ik zei hem dat ik iemand wist die het voor honderddertigduizend wilde doen, dus moest hij zijn prijs wel verlagen. Hij had het over een mogelijkheid om me met andere toeristen weg te brengen die ook woensdag zouden vertrekken, hij zou het me dinsdagavond laten weten.
Aan het ontbijt de volgende ochtend was ik weer als eerste en enige gast in het Pandan restaurant toen er enige opschudding ontstond. Na een doffe klap die vanaf de kustweg klonk hoorde ik ‘oh oh’ geroep door het keukenpersoneel, gevolgd door gelach. Er was een witharige hond aangereden die midden op de rijweg had gelopen. De schuldige automobilist was gewoon doorgereden, het ongelukkige huisdier nog even stuiptrekkend achterlatend op het asfalt. Niet lang daarna kwam een jongen op een brommer voorgereden die de hond met een touw en een stok naar de kant van de weg sleepte. Er was niemand te zien die begaan was met de hond en de meeste reacties waren laconiek lacherig.
Om wat beweging te krijgen was ik die ochtend langs de kustweg naar het zuiden gewandeld, maar er was niet veel bijzonders te zien zodat ik na enige tijd weer rechtsomkeert maakte. Ik bedacht me dat een fietsverhuurbedrijf hier een welkome afwisseling zou kunnen betekenen op de talrijk voorkomende transportbedrijfjes, maar fietsen, dat werd hier kennelijk als een te vermoeiende bezigheid voor de bule beschouwd. Ik was op de terugweg nog geen half uur van Pandan, toen een jongeman op een brommer naast me stopte om te vragen waar ik heen moest. ‘Helemaal naar Pandan? Maar dat is heel ver weg’. Ik zei hem dat ik niets aan mijn benen mankeerde, maar hij keek me bezorgd na; ‘weet u het zeker?’ Toen ik later bij een fraaie lotusvijver liep volgde me daar een andere transportzeur. Hij ging van 130 naar 115.000 rupiah’s en uiteindelijk naar 100.000 voor de rit naar het vliegveld. Het was wel 30.000 minder dan ik met Godogan had afgesproken, maar ik wou niet meer veranderen. Godogan reed nu eenmaal voorzichtig en deze man vond ik er niet zo verzorgd uit zien, dus voor dat tientje meer bleef ik maar liever bij mijn besluit. Aan het hotelstrand kwam die middag een zonnebrilverkoper langs. Ik vertelde hem dat ik de volgende dag naar huis zou gaan en hij wenste me een goede reis. Hij was een van die mensen waarop ik mijn bahasa Indonesia goed kon oefenen, want hij kende maar enkele woorden Engels. Of ik getrouwd was en waarom niet, Balinese vrouwen genoeg en ze zijn mooi. En hoeveel mijn ticket kostte. Na het noteren van mijn naam bietste hij mijn pen en als ik ooit bij hem langs zou komen zou ik welkom zijn. Op dat moment waren nieuw aangekomen (Franse) toeristen de zee uitgekomen en vol vertrouwen stak hij een rijtje zonnebrillen van het nieuwste model naar hun richting omhoog: geen reactie. ‘I give you good price’, was zijn laatste poging. Ik kon hem nog blij maken met een kwartje waarop koningin Juliana was afgebeeld, want hij spaarde munten (wie niet in Indonesie?) en daarna namen we afscheid alsof we elkaar van kinds af gekend hadden. Lezend voor mijn bungalow die avond kwam Godogan langs om af te spreken. Hij had geen extra passagiers kunnen strikken, want die hij op het oog had waren de dag ervoor reeds vertrokken. Ik vertelde hem dat de prijs voor mij ongewijzigd bleef, waarop hij ‘is up to you’ zei zonder enthousiasme. Hij probeerde nog of ik in de grote stad misschien iets met dat plastic geld uit de muur nog wat kon uitrichten, maar ik verzekerde hem dat voor mij de koek nu echt op was. Ik drukte hem nog op het hart geen jam karet te verwachten de volgende dag en daarna wenste hij me een goede nacht.
Ik vertelde de dienstdoende ‘boy’ de volgende ochtend aan het ontbijt dat ik die dag zou vertrekken en dus wou afrekenen. Het gekke was dat ik na al die dagen niet wist wie er nu eigenlijk de baas van het bedrijf was en toen ‘boy’ dit goed verstond zette hij grote ogen op, vergat de rest van mijn ontbijt te brengen en verdween op slag naar achteren. Later kwam hij bij mijn bungalow met de rekening. Ik had op 10% government tax gerekend, maar dat werd op de rekening juist als discount afgeschreven. Wie er nu de baas was wist ik nog steeds niet. Wel heb ik een oude vrouw in het complex zien rondscharrelen die ook een beetje dement leek te zijn en ik vermoedde dat zij het was. Maar het moest toch een verstandig iemand zijn die daar de leiding had, want het bedrijf functioneerde zo te zien toch goed.
Niet veel later kwam Godogan me afhalen en zonder jam karet of andere problemen reed hij me naar het vliegveld.

Woordenlijst

gamelan: gamelan
legong, kecak en barongdans: traditionele Balinese dansen
gado gado: gestoomde groenten met pindasaus
pasir putih: wit zand
ikat: bijzondere weeftechniek
rambutan: vrucht met harige schil
pondok: hut, huisje
jam karet: letterlijk: elastieken tijd, rekbare tijd








Jantje
User
spacer line
 

Beste Dangdude,
Het was weer een prima reisverslag, dat klimaatschieten. De aflevering die er voor mij uitspringt is "Een moskee op zondagmorgen" Ook je onlangs geplaatste verhaal over je belevenissen in Kuta heeft mij kostelijk vermaakt. Het zijn stuk voor stuk verhalen die het leven hier beschrijven zoals het echt is.
Ik mis ze op de zondag.
Komt er trouwens nog een foto reportage?
Bedankt, Emoticon: Worship

Jantje



dangdude03
User
User icon of dangdude03
spacer line
 

Wederom bedankt voor je waarderende woorden Jantje. Ja, het is me al eerder opgevallen dat onplezierige reiservaringen vaak de beste verhalen opleveren. Een beetje lui aan het strand liggen en lekker genieten van lekker eten en drinken laat zich nu eenmaal niet makkelijk tot interessant leesvoer verwerken. Dus er móét dus afgezien worden op mijn trips. Niet dat ik het nu speciaal opzoek en een strandliefhebber ben ik trouwens toch niet. Ik wil altijd graag iets beleven en niet te lang op één plek blijven hangen, en dat hoeft niet altijd sightseeing te zijn.

Jeroen is al bezig geweest en ik heb de eerste vier hoofdstukken al mogen bekijken, maar hij heeft het ook druk gehad en is eerst toe aan een welverdiende onderbreking in zijn favoriete vakantieland. Maar hij vertrouwde mij onlangs in Son en Breugel toe dat Klimaatschieten als alles goed gaat eind juli met de bijbehorende foto’s op het net te zien zal zijn.

Jan.




Jeroen
Administrator
User icon of Jeroen
spacer line
 

Jan,

En die staat nog steeds. Ik hoop vandaag nog wat werk te verrichten, zodat je dit alvast dan reviewen. Emoticon: Smile De anderen moeten nog eventjes wachten op de media-campagne. Billboards komen eraan, reclame-vliegtuigen enzovoorts.

Groeten,
Jeroen




You have to be logged in to post a message. You can login by clicking here.
If you do not have an account yet, you can register yourself here.



90,122,038 topic views - 241,252 posts - 13,739 topics - 34,870 members - last post @ 15-04-2021 12:21 CET

Created by indahnesia.com · feedback & contact · © 2000-2021
Other websites by indahnesia.com: ticketindonesia.info · kamus-online.com · indonesiepagina.nl · suvono.nl

146,824,640 pageviews Discover Indonesia Online at indahnesia.com